Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/18.2.1:18.2.1 Vooraf: prejudiciële vragen EHRM en rechtseenheidsoverleg
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/18.2.1
18.2.1 Vooraf: prejudiciële vragen EHRM en rechtseenheidsoverleg
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940670:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie in dit kader het rapport van de Commissie rechtseenheid bestuursrecht Kamerstukken II 2015/16, 34 389, nr. 9.
Zie bijvoorbeeld het jaaroverzicht van de Commissie rechtseenheid bestuursrecht 2021, V-N 2022/14.15.
De Wet amicus curiae en kruisbenoemingen vormde in dit kader het sluitstuk (Stb. 2020, 416 en Stb. 2021, 281). Zie daarover nader V-N 2020/62.21.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op grond van Protocol 16 bij het EVRM kan de hoogste nationale rechter sinds 1 augustus 2018 prejudiciële vragen aan het EHRM stellen. Naar mijn mening is dit instrument bij uitstek geschikt om de rechtszekerheid op het terrein van het bewijsrecht ten aanzien van de fiscale bestuurlijke boete te bevorderen. De Hoge Raad kan immers niet alleen kwesties voorleggen die een mogelijk verschil van opvatting tussen het EHRM en de Hoge Raad behelzen, maar ook vragen stellen over aangelegenheden waarover momenteel – kijkend naar de casuïstische jurisprudentie van het EHRM zelf – geen duidelijkheid bestaat. Bij de bespreking van de aanbevelingen zal ik in het navolgende steeds aangeven waar ik het stellen van prejudiciële vragen aan het EHRM opportuun acht.
Een andere aanbeveling die ik in algemene zin zou willen doen, ziet op de rechtseenheid binnen het bestuursrecht. De vraagstukken die ik in mijn onderzoek naar het bewijsrecht op het terrein van de fiscale bestuurlijke boeterecht heb geïdentificeerd, hebben dikwijls een bredere uitstraling. In veel gevallen zijn zij immers terug te voeren op de overkoepelende waarborgen van art. 6 EVRM of op strafrechtelijke beginselen, die evenzeer gelden voor bestuurlijke boetes uit andere bestuursrechtelijke rechtsgebieden. Deze omstandigheid maakt dat de betreffende kwesties zich lenen voor coördinatie tussen de hoogste bestuursrechters. De rechtseenheidskamer die naar aanleiding van het wetsvoorstel Wet organisatie hoogste bestuursrechtspraak was voorgesteld, had in dit verband goede diensten kunnen bewijzen.1 Dat wetsvoorstel is evenwel naar aanleiding van de behandeling in de Tweede Kamer op 16 november 2016 ingetrokken.2 Dat laat onverlet dat de Hoge Raad bij een voorgenomen principiële uitspraak over een vraagstuk dat de bestuurlijke boete (ook) in brede zin raakt, informele afstemming zou kunnen zoeken met de andere hoogste bestuursrechtelijke rechtscolleges. In dit verband valt te denken aan het overleg dat plaatsvindt in de Commissie rechtseenheid bestuursrecht, waarin de vier hoogste bestuursrechters zijn vertegenwoordigd.3 Daarnaast noem ik de mogelijkheid dat de hoogste bestuursrechters in principiële zaken rechtspreken in een gemengde samenstelling.4 De zetel die de uitspraak doet of het arrest wijst, bestaat dan voor die gelegenheid mede uit een rechter die normaliter rechtspreekt als lid van een andere hoogste bestuursrechter. Deze meer formele oplossing geeft naar mijn idee het meest krachtige signaal af.