Einde inhoudsopgave
Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid (IVOR nr. 116) 2019/9.5.5
9.5.5 403-aanspraak en kwijtgescholden vordering 403-rechtspersoon
mr. drs. E.C.A. Nass, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
mr. drs. E.C.A. Nass
- JCDI
JCDI:ADS85668:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Beckman in zijn commentaar bij HR 3 april 2015, Ondernemingsrecht 2015/66 (Bia Beheer).
Vergelijk ook het oordeel van het Gerechtshof Amsterdam (OK) 11 juni 2013, r.o. 6.52 waarin zulks in een situatie van onteigening van de vordering op de 403-rechtspersoon werd overwogen (zie paragraaf 9.5.9).
Booms 2019 (diss.), p. 444.
Waarvoor zij wel een regresvordering krijgt zodra zij heeft voldaan (zie paragraaf 9.7) maar waaraan zij doorgaans weinig heeft indien de 403-rechtspersoon failliet is.
Ten overvloede merk ik op dat als een schuldeiser geen beroep op zijn aanspraak jegens de 403-aansprakelijke maatschappij wil doen, hij zich simpelweg niet voor voldoening tot de 403-aansprakelijke maatschappij zal wenden; van een geformuleerde afstandsverklaring zal in een dergelijke situatie zelden sprake zijn.
Een hoofdelijke schuldenaar is bevoegd om namens de overige schuldenaren een aanbod tot afstand om niet van het vorderingsrecht te aanvaarden, voor zover de afstand ook de andere schuldeisers betreft (art. 6:9 lid 1 BW). Als een schuldeiser met een schuldenaar overeenkomt dat hij van zijn vorderingsrecht afstand doet, gaat de verbintenis van die schuldenaar teniet (art. 6:160 lid 1 BW). Niet is in art. 6:7 lid 2 BW bepaald dat als een schuldeiser jegens een hoofdelijke schuldenaar afstand doet van zijn vorderingsrecht, ook de andere schuldenaren zijn bevrijd. De consequentie daarvan is dat als er twee afzonderlijke vorderingsrechten zijn, het doen van afstand dan wel het tenietgaan van één van die twee vorderingen er niet vanzelf (van rechtswege) toe kan leiden dat daarmee ook afstand wordt gedaan van de andere vordering. Daarvoor is nodig dat van beide vorderingen afstand wordt gedaan.
De vraag die zich opdringt, is hoe het zojuist opgemerkte past bij een 403-aansprakelijkstelling. Te denken is aan een finale kwijtschelding tegen een bepaald bedrag verleend door de schuldeiser van deze 403-rechtspersoon aan de 403-rechtspersoon, zoals in Bia Beheer (zie paragraaf 9.3.2). Daar de vordering waarvoor de 403-aansprakelijkstelling geldt, teniet is gegaan, zou er geen reden voor de 403-aansprakelijke maatschappij moeten zijn om nog voor de restantschuld aansprakelijk te zijn aangezien er geen schuld meer is.1 De 403-verklaring richt zich immers tot de uit de rechtshandelingen van de 403-rechtspersoon voortvloeiende schulden van de 403-rechtspersoon. Als er geen rechthebbende op een dergelijk vorderingsrecht jegens de 403-rechtspersoon is, kan er ook geen 403-aanspraak jegens de 403-aansprakelijke maatschappij zijn; zij vallen daarmee buiten de reikwijdte van de 403-verklaring.2 Dit past ook in de opvatting dat als de hoedanigheid van een rechthebbende van een uit een rechtshandeling van de 403-rechtspersoon voortvloeiend vorderingsrecht jegens de 403-rechtspersoon eindigt, de 403-aanspraak niet meer kan worden ingeroepen.3 Hoe logisch het ook is dat er geen reden is nog onder de 403-verklaring te claimen, hetgeen ook het geval is in de opvatting dat er sprake is van één vordering met twee hoofdelijk verbonden schuldenaren alsook in de ‘dynamische 403-aanspraak’-opvatting, de consequentie van de uitleg van de Hoge Raad is dat als de 403-aansprakelijke maatschappij geen partij is in de kwijtschelding, zij voor het kwijtgescholden deel wel aansprakelijk kan worden gehouden.4
Ook als een schuldeiser (enkel) afstand doet van zijn 403-aanspraak jegens de 403-aansprakelijke maatschappij, komt als vraagstuk naar voren de wijze waarop een dergelijke afstandverklaring zich verhoudt tot de generieke en eenzijdige aard van de 403-verklaring, zoals in geval van overdracht van de uit een rechtshandeling van de 403-rechtspersoon voortvloeiende vordering op de 403-rechtspersoon aan een derde. De kwestie die dan rijst is of de 403-aansprakelijke maatschappij zich jegens die derde kan beroepen op de afstandverklaring van de oorspronkelijke schuldeiser. Mijns inziens staat de ongerichte generieke aard van de 403-verklaring daaraan in de weg.5 De 403-aansprakelijke maatschappij heeft zich door middel van de 403-verklaring als hoofdelijk schuldenaar verbonden voor de schulden van de 403-rechtspersoon die voortvloeien uit door de 403-rechtspersoon aangegane rechtshandelingen, ongeacht wie dat vorderingsrecht houdt.
Indien de 403-aanspraak als afhankelijk recht zou worden geduid (borgtochtachtige opvattingen), gaat de 403-aanspraak teniet door afstandverklaring van de schuldeiser van zijn vordering op de 403-rechtspersoon.