Einde inhoudsopgave
De rol van de paritas creditorum bij een faillissement 2023/2.4.3.1
2.4.3.1 Het retentierecht
mr. M.J. Noteboom, datum 31-05-2022
- Datum
31-05-2022
- Auteur
mr. M.J. Noteboom
- JCDI
JCDI:ADS686233:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Aldus artikel 3:290 BW. Om het retentierecht te kunnen uitoefenen, is het noodzakelijk dat de retentor de macht over de zaak uitoefent. Hiervan is sprake als de retentor houder of bezitter van de zaak is. Vgl. HR 23 juni 1995, ECLI:NL:HR:1195:ZC1765 (Deen/Van der Drift).
Vgl. Fesevur 2017, p. 41 die als rechtsgrond voor deze bevoegdheid de redelijkheid en billijkheid aanwijst.
Vgl Groenewegen & De Groot 2015, p. 246-247. De uit artikel 6:52 BW voortvloeiende opschortingsrechten hebben hierbij betrekking op verbintenissen. Artikel 3:290 BW heeft daarentegen betrekking op de opschorting van de nakoming van een verplichting. Vgl. Fesevur 2017, p. 37.
Vgl. Fesevur 2017.
Artikel 3:292 BW. Zie nader over het retentierecht in en buiten faillissement: Heilbron 2019, Groenewegen & De Groot 2015 en Fesevur 2017.
Ondanks het retentierecht zou een derde partij tot executie kunnen overgaan. Het retentierecht blijft dan gelden ook richting de derde partij. De retentor zou in het kader van een dergelijke executie ook conservatoir beslag kunnen leggen op het goed om op die wijze (zonder executoriale titel) toch mee te delen in de executieopbrengst. Zie nader over deze mogelijkheid: Goethals & Hekman 2018, p. 217 en 218.
Van Zeben & Du Pon & Olthof 1981a, p. 889. Vgl. 479 Rv en 502 Rv.
Zie bijvoorbeeld Rb. Noord-Holland 8 november 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:9783 waarbij enkele vrachtwagenchauffeurs zich richting de leasemaatschappij met succes beroepen op een retentierecht op de geleasete vrachtwagens. Uit artikel 3:291 BW vloeit voort dat een retentierecht onder omstandigheden ook kan worden ingeroepen jegens een derde die een recht op de zaak heeft verkregen (zoals een eigenaar, een beperkt gerechtigde of een partij met een contractueel gebruiksrecht, vgl. Hijma & Olthof 2005, p. 186). Indien het retentierecht op grond van artikel 3:291 BW wordt uitgeoefend tegen een derde die eigenaar is, gaat het niet om een doorbreking van de paritas creditorum ex artikel 3:277 BW, maar om een uitbreiding van het verhaalsvermogen ex artikel 3:276 BW.
Zie Van Zeben, Du Pon & Olthof 1981b, p. 195-207. Zie voorts Fesevur 2017, p. 61.
Aldus Fesevur 2017, p. 74.
Retentierecht is de bevoegdheid die in de bij de wet aangegeven gevallen aan een schuldeiser toekomt om de nakoming van een verplichting tot afgifte van een zaak aan zijn schuldenaar op te schorten totdat de vordering wordt voldaan.1 Deze bevoegdheid wordt ook wel de terughoudingsbevoegdheid genoemd.2 Het recht van terughouding is een species van het generieke opschortingsrecht.3 Een schuldeiser heeft in beginsel4 geen executoriale titel nodig om gebruik te maken van de terughoudingsbevoegdheid.5
Vanaf de invoering van het NWB in 1992 geeft een retentierecht daarnaast de schuldeiser de bevoegdheid om zijn vordering op de zaak te verhalen met voorrang boven allen tegen wie het retentierecht kan worden ingeroepen.6 Hierbij is aan de retentor geen recht van parate executie toegekend. De retentor zal dus om zijn verhaalsrecht te kunnen uitoefenen in beginsel7 moeten beschikken over een executoriale titel, en om tot verkoop over te gaan, executoriaal beslag onder zichzelf op de zaak moeten leggen.8 Indien een schuldeiser in het kader van een dergelijke verhaalsexecutie, waarbij de opbrengst ontoereikend is om alle betrokken schuldeisers te voldoen, voldoening van zijn vordering ontvangt, is er sprake van een doorbreking van de paritas creditorum.9
De rechtsgrond voor het terughoudingsrecht wordt gezocht in de redelijkheid en billijkheid. Een schuldenaar die zelf niet presteert, handelt in strijd met de redelijkheid en billijkheid, zo is hierbij de gedachte.10 In de wetsgeschiedenis wordt de rechtsgrond voor het verhaalsrecht van de retentor niet toegelicht. In de literatuur wordt wel als rechtvaardiging aangevoerd dat het verhaalsrecht een onontkoombare consequentie van de terughoudingsbevoegdheid is.11 Tot zover het retentierecht.