Einde inhoudsopgave
De rol van de paritas creditorum bij een faillissement 2023/2.4.3.3
2.4.3.3 Artikel 3:298 BW
mr. M.J. Noteboom, datum 31-05-2022
- Datum
31-05-2022
- Auteur
mr. M.J. Noteboom
- JCDI
JCDI:ADS686177:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Van Zeben & Du Pon 1990, p. 1397.
Zie bijvoorbeeld Rank-Berenschot 1992, p. 205.
Deze hoofdregel is overigens, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis, niet meer dan een vuistregel. In de wet wordt daarom ook aangegeven dat deze regel uitzondering lijdt voor zover uit de wet, uit de aard van de rechten of uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid anders voortvloeit. Vgl. Zeben & Du Pon 1990, p. 1397.
Artikel 3:298 BW is in de rechtspraak ook toegepast in analoge gevallen. Hof Amsterdam, 22 augustus 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BR6835, past deze regel bijvoorbeeld toe op de situatie dat er twee huurovereenkomsten zijn gesloten met betrekking tot één en dezelfde winkelruimte. Zie ook Rb. Noord-Holland 14 april 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:3795. Vgl. Van Zeben & Du Pon 1990, p. 1397: “Het ligt voorts voor de hand dat soms analogische toepassing mogelijk zal zijn op andersoortige vorderingsrechten ten aanzien van één goed die bij samenlopende vervolging van het recht op nakoming met elkaar zou botsen.”.
Zie Van Zeben, Du Pon & Olthof 1981a, p. 856. Zie voorts HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5999, NJ 2012/126, m.nt. A.I.M. van Mierlo
Van Zeben & Du Pon 1990, p. 1397. In de literatuur wordt dit ook wel gesteld: Hijma & Olthof 2005, p. 59.
Een andere situatie is aan de orde indien de rechten op leveringen worden omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding ter zake het niet nakomen van een vordering tot levering. De hoofdregel van de paritas creditorum is dan wel van toepassing. Vgl. Van Zeben & Du Pon 1990, p. 1397.
Tot slot wordt ingegaan op artikel 3:298 BW. Uit de Parlementaire Geschiedenis blijkt dat de wetgever artikel 3:298 BW beschouwt als uitzondering op de paritas creditorum.1 Het zou hierbij dan moeten gaan om een voorrangsrecht op een andere in de wet aangegeven grond. Hierna wordt ingegaan op de vraag of dit standpunt juist is.
Artikel 3:298 BW bepaalt dat indien twee of meer schuldeisers ten aanzien van één goed een botsend recht op levering hebben en nakoming vorderen, als hoofdregel geldt dat het oudste recht op levering voorgaat. Het gaat hierbij om een situatie waarbij persoonlijke rechten op levering botsen. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat een onroerende zaak tweemaal is verkocht. De vraag ligt hierbij voor welk recht op levering moet prevaleren. Nadat conservatoir beslag is gelegd of nadat een executoriale titel is verkregen, dient die vraag te worden beantwoord in het kader van een executie- of een beslaggeschil.2
Indien de aanspraak tot levering een goederenrechtelijk karakter zou hebben, zou de prioriteitsregel gelden. De datum van vestiging van het recht bepaalt in dat geval welk recht voorrang heeft. In het geval van artikel 3:298 BW betreft het echter verbintenisrechtelijke (obligatoire) aanspraken. In het verbintenissenrecht geldt de prioriteitsregel niet, zodat het moment van het ontstaan van het leveringsrecht in beginsel geen voorrang creëert.3Artikel 3:298 BW geeft richting in een dergelijke situatie en bepaalt als hoofdregel4 dat het oudste recht op levering voor gaat.5 Het aansluiten bij het ontstaansmoment van de vordering staat haaks op de gedachte van de paritas creditorum waarin juist het moment van ontstaan van een vordering irrelevant wordt geacht.6 Op het eerste gezicht is het wellicht begrijpelijk dat om die reden wordt gesproken van een doorbreking van de paritas creditorum.7 Toch kan dit standpunt naar mijn mening niet worden volgehouden.
In artikel 3:277 BW gaat het om de verhaalsuitoefening (het afdwingen van een prestatie tot het geven van een geldsom), terwijl bij artikel 3:298 BW geen verhaalsexecutie aan de orde is, maar reële executie (het afdwingen van een prestatie tot een doen, nalaten of geven anders dan een geldsom strekkende tot effectuering van een verbintenis tot levering). Bij botsende obligatoire rechten op levering gaat het derhalve niet om een verbintenis strekkende tot betaling van een geldsom. Artikel 3:277 BW heeft om die reden geen betrekking op een situatie zoals beschreven in artikel 3:298 BW. Artikel 3:298 BW kan dan ook niet als een uitzondering op de paritas creditorum worden beschouwd.8