RvdW 2024/1081:Bedreiging (art. 285 lid 1 Sr). 1. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt t.a.v. gebruik van verklaringen van familie van slachtoffer als (steun)bewijs voor mondelinge bedreiging, art. 359 lid 2 Sv. 2. Toewijzing vordering benadeelde partij t.z.v. immateriĆ«le schade a.g.v. bedreiging toereikend gemotiveerd? Ad 1. Wat raadsvrouw van verdachte ttz. in hoger beroep naar voren heeft gebracht over verklaring van dochter van slachtoffer (dochter heeft namens haar vader aangifte gedaan), die volgens verdediging niet als steunbewijs voor verklaring van slachtoffer zou mogen worden beschouwd voor tlgd. mondelinge bedreiging, kan niet anders worden opgevat dan als standpunt dat duidelijk, door argumenten ondersteund en voorzien van ondubbelzinnige conclusie aan hof is voorgelegd. Hof is in zijn uitspraak van dit uos afgeweken door verklaring van dochter van slachtoffer (aangifte namens slachtoffer) naast verklaring van slachtoffer voor het bewijs te gebruiken. Motivering van deze afwijking ligt besloten in de voor bewijs gebruikte verklaring van verdachte, die o.m. inhoudt: ā€œIk zeg u dat ik aangevers zeker weten heb bedreigd. Op de beurs in Rijswijk heb ik hen gezienā€. Hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat die verklaring van verdachte voldoende steun geeft aan verklaring van slachtoffer, zoals deze mede is overgebracht door zijn dochter. Hof was niet o.g.v. art. 359 lid 2 Sv gehouden tot nadere motivering van bewezenverklaring (vgl. HR 11 april 2006, NJ 2006/393, m.nt. Y. Buruma). Ad 2. Hof heeft vordering tot vergoeding van immateriĆ«le schade van b.p. toegewezen tot bedrag van € 200, vermeerderd met wettelijke rente. Mede in aanmerking genomen dat deze vordering namens verdachte gemotiveerd is betwist, is dat oordeel ontoereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat uit overwegingen van hof niet kan worden afgeleid op welke in art. 6:106 BW vermelde grond en op welke door hof vastgestelde omstandigheden het hof de toewijzing van dit deel van vordering van b.p. heeft gebaseerd. Dat brengt mee dat ook oplegging van de in art. 36f Sr voorziene maatregel niet in stand kan blijven (vgl. HR 18 juni 2019, NJ 2019/380, m.nt. W.H. Vellinga). Volgt (partiĆ«le) vernietiging t.a.v. vordering b.p. en oplegging schadevergoedingsmaatregel en terugwijzing. CAG: anders t.a.v. uos.