Einde inhoudsopgave
RvdW 2024/1068
Goederenrecht. Verkrijgende verjaring; afzonderlijke maatstaf voor inbezitneming ‘publieke grond’?
HR 08-11-2024, ECLI:NL:HR:2024:1606
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
8 november 2024
- Magistraten
Mrs. M.J. Kroeze, T.H. Tanja-van den Broek, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma, G.C. Makkink
- Zaaknummer
23/03434
- Conclusie
A-G mr. E.B. Rank-Berenschot
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2024:1606, Uitspraak, Hoge Raad, 08‑11‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:804, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 02‑08‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑10‑2023
- Wetingang
Art. 3:108, 3:113 BW
Essentie
Goederenrecht. Verkrijgende verjaring; afzonderlijke maatstaf voor inbezitneming ‘publieke grond’?
Samenvatting
Voor de beantwoording van de vraag of iemand een goed in bezit heeft genomen, is bepalend of hij zich de feitelijke macht over dat goed heeft verschaft (art. 3:113 lid 1 BW). Voor inbezitneming van een goed dat in het bezit van een ander is, geldt dat enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen ontoereikend zijn (art. 3:113 lid 2 BW). Vereist is dat de machtsuitoefening zodanig is dat naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter wordt tenietgedaan. Het antwoord op de vraag of iemand de ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.