Einde inhoudsopgave
RvdW 2024/1076
Enkele omstandigheid dat niet aannemelijk is dat betrokkene tijdig bekend werd met voornemen tot indienen ontnemingsvordering, kan niet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.
HR 05-11-2024, ECLI:NL:HR:2024:1572
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
5 november 2024
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, A.L.J. van Strien, F. Posthumus
- Zaaknummer
22/02887 P
- Conclusie
A-G mr. D.J.C. Aben
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Bijzondere onderwerpen
Materieel strafrecht / Sancties
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2024:1572, Uitspraak, Hoge Raad, 05‑11‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:883, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 03‑09‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 06‑01‑2023
- Wetingang
Essentie
Het oordeel van het hof, dat de enkele omstandigheid dat niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene tijdig bekend is geworden met het in art. 311 lid 1 Sv bedoelde voornemen van de officier van justitie tot het indienen van de ontnemingsvordering, niet kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de ontnemingsvordering, is juist en toereikend gemotiveerd.
Samenvatting
De Hoge Raad herhaalt relevante overwegingen uit NJ 2004/199, m.nt. Y. Buruma en NJ 2012/297, m.nt. M.J. Borgers over de strekking van art. 311 lid 1 Sv, uit ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.