RvdW 2024/1084:Art. 416 lid 2 Sv na veroordeling t.z.v. medeplegen aanwezig hebben van hennep en hasj (art. 3 onder C Opiumwet) en medeplegen diefstal van elektriciteit (art. 311 lid 1 Sr). Kon hof het door verdachte ingestelde hoger beroep na rolzitting niet-ontvankelijk verklaren, nu karakter van rolzitting (waarbij zaak niet inhoudelijk wordt behandeld) meebrengt dat inhoudelijke behandeling op later moment zal plaatsvinden? Hof heeft vastgesteld dat verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend en ook niet (eventueel via gemachtigde raadsman) mondeling bezwaren tegen vonnis Rb heeft opgegeven. ’s Hofs mede hierop gebaseerde oordeel dat door verdachte ingesteld hoger beroep n-o moet worden verklaard, is in het licht van stukken (waaruit onder meer blijkt dat raadsman al voorafgaand aan rolzitting door griffie hof werd benaderd over planning van datum voor inhoudelijke behandeling van zaak) niet zonder meer begrijpelijk. Daarbij neemt HR in aanmerking dat brief van A-G aan raadsman onder meer inhoudt dat ‘wanneer niet tot gezamenlijk standpunt gekomen wordt of hof van oordeel is dat gezamenlijk standpunt geen rechtvaardige uitkomst van procedure oplevert, zaak naar rolzitting zal gaan om daar inschatting te maken van uiteindelijke inhoudelijke behandeltijd op latere inhoudelijke zitting’, terwijl hof niet zo’n latere inhoudelijke zitting heeft laten plaatsvinden. Dat deze brief ook (maar zonder nadere toelichting) inhoudt dat ‘op rolzitting (...) de gebruikelijke vaststellingen en beslissingen (kunnen) worden genomen als bijvoorbeeld niet ontvankelijkheid’, maakt dat niet anders. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met RvdW 2024/1085.