De Europese Executoriale Titel
Einde inhoudsopgave
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2005/5.14.3:5.14.3 Andere gronden voor een executiegeschil
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2005/5.14.3
5.14.3 Andere gronden voor een executiegeschil
Documentgegevens:
Mr. M. Zilinsky, datum 02-03-2005
- Datum
02-03-2005
- Auteur
Mr. M. Zilinsky
- JCDI
JCDI:ADS378216:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
H. Oudelaar, Civielrechtelijke executiegeschillen, p. 317.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Oudelaar noemt in zijn proefschrift diverse gronden die in het executiegeschil aangevoerd kunnen worden ter afwering van de executie van een beslissing1:
het stuk waarop zich de executant beroept, is geen executoriale titel;
de executoriale titel is onduidelijk;
de executoriale titel geeft geen recht op executie;
opportuniteit van de executie en misbruik van de executiebevoegdheid;
de executoriale titel heeft door een latere gebeurtenis zijn (materiële) geldigheid verloren.
De EET-regeling bepaalt welke rechterlijke beslissingen met een EET gewaarmerkt kunnen worden. De executierechter mag mijns inziens niet op de stoel van de EET verlenende rechter gaan zitten en een hernieuwde toetsing aan de vereisten voor de EET-waarmerking verrichten. Derhalve kunnen de eerste drie verweren in het executiegeschil niet worden aangevoerd. De vraag rijst echter hoe gehandeld moet worden indien door de rechter in de lidstaat van herkomst een EET is verleend, maar de beslissing volgens de geëxecuteerde nog niet uitvoerbaar is. De niet-executeerbaarheid van de beslissing moet in een executiegeschil aan de orde komen. Een dergelijke toetsing kan echter in strijd zijn met het verbod van révision au fond van art. 21 lid 2 EET-Verordening. De verordening staat het immers niet toe dat in de lidstaat van tenuitvoerlegging de juistheid van de EET-waarmerking wordt getoetst. Is de EET verlenende rechter van oordeel geweest dat de beslissing van een EET kan worden voorzien, dan is de tenuitvoerleggingsinstantie aan dit oordeel gebonden. In een executiegeschil kan mijns inziens slechts worden verzocht de executie op te schorten totdat de beslissing uitvoerbaar is geworden. Is de beslissing in het geheel niet uitvoerbaar, dan moet worden aangetoond dat de tenuitvoerlegging van de EET-gewaarmerkte beslissing misbruik van executiebevoegdheid tot gevolg heeft. Mijns inziens zal zich een dergelijke situatie niet voordoen, aangezien de EET verlenende rechter moet nagaan of de beslissing uitvoerbaar is. Wordt in het executiegeschil een dergelijke toetsing door de aangezochte rechter in de lidstaat van tenuitvoerlegging verricht, dan wordt daardoor het verbod van art. 21 lid 2 EET-Vo geschonden. De situatie van niet-uitvoerbaarheid van de EET-gewaarmerkte beslissing werpt echter de vraag op naar de noodzaak van een openbare orde-toets. Tevens zou de schuldenaar in de lidstaat van herkomst op basis van art. 10 lid 1 sub b EET-Vo om een intrekking van de EET-waarmerking kunnen verzoeken, aangezien de waarmerking ten onrechte is verleend. De gewaarmerkte beslissing voldoet immers niet aan de vereisten voor de EET-verlening, nu ingevolge art. 6 lid 1 onder a EET-Vo de te waarmerken beslissing uitvoerbaar dient te zijn.