Einde inhoudsopgave
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2005/5.14.0
5.14.0 Introductie
Mr. M. Zilinsky, datum 02-03-2005
- Datum
02-03-2005
- Auteur
Mr. M. Zilinsky
- JCDI
JCDI:ADS377012:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
H. Oudelaar (red.), Executie en Beslag, 130.10.
H. Oudelaar (red.), loc. cit.
Dit betekent dan mijns inziens dat de EET-gewaarmerkte beslissing slechts geëxecuteerd mag worden wat de eventuele veroordeling van de schuldenaar in de proceskosten betreft. Het zou inefficiënt zijn om in een dergelijk geval van de schuldeiser executant te eisen dat hij in de lidstaat van herkomst van de beslissing een nieuwe EET voor de veroordeling in de proceskosten in de oorspronkelijke procedure verzoekt.
Zie nader H. Oudelaar, Civielrechtelijke executiegeschillen, p. 320.
Vgl. art. 23 van het oorspronkelijke en van het gewijzigde voorstel (resp. COM (2002) 159 def. en COM (2003) 341 def.).
Overeenkomstig art. 21 EET-Vo moet aan de schuldenaar in de lidstaat van tenuitvoerlegging de mogelijkheid worden geboden om een rechter te adiëren indien de EET-gewaarmerkte beslissing onverenigbaar is met een andere eerdere beslissing. De vraag rijst of deze procedure een executiegeschil is zoals bedoeld in art. 438 Rv. In een executiegeschil kunnen executieremmende dan wel executiebevorderende maatregelen worden genomen, waarbij als uitgangspunt dient te gelden dat de tenuitvoerlegging van een executoriale titel beperkt moet worden belemmerd.1 De gronden waarop in een executiegeschil opgetreden mag worden, zijn niet in de wet opgenomen. Uit de jurisprudentie blijkt dat in een executiegeschil slechts ingegrepen mag worden indien de executietitel onduidelijk of ongeldig is dan wel indien de te executeren beslissing op een misslag berust of de tenuitvoerlegging daarvan een noodtoestand tot gevolg zal hebben.2 De in art. 21 EET-Vo geregelde mogelijkheid geeft een geval van een noodtoestand aan, aangezien een tenuitvoerlegging van een beslissing die onverenigbaar is met een andere beslissing, niet kan worden aanvaard.
De vraag rijst eveneens of de tenuitvoerlegging van een EET-gewaarmerkte beslissing slechts in geval van onverenigbaarheid met een andere eerdere beslissing kan worden tegengehouden. Is bij art. 21 sprake van een beperking van de mogelijkheden tot het instellen van een executiegeschil dan wel van een verbreding? Met andere woorden: behouden de gronden voor het instellen van het executiegeschil, zoals geregeld in het recht van de lidstaat van tenuitvoerlegging, hun gelding? Art. 20 EET-Vo verwijst wat de tenuitvoerlegging betreft naar de wet van de lidstaat van tenuitvoerlegging. Hieruit dient mijns inziens te worden afgeleid dat de gronden voor het instellen van een executiegeschil op basis van dat recht worden bepaald. Aangezien in art. 21 vermeld staat dat de lidstaat van tenuitvoerlegging de schuldenaar de mogelijkheid tot rechterlijke toetsing biedt, moet in deze bepaling worden gelezen dat bij onverenigbaarheid in ieder geval een executiegeschil aanhangig kan worden gemaakt. De verordening heeft ingevolge punt 19 van de Considerans immers niet tot doel het nationale procesrecht - het nationale executierecht inbegrepen - te harmoniseren. Derhalve moet worden gesteld dat de door het nationale recht van de lidstaat van tenuitvoerlegging gegeven mogelijkheden tot het tegenhouden van de executie van een beslissing ook tegen de executie van een EET-gewaarmerkte beslissing ingeroepen kunnen worden.
Zou art. 21 als enige grond voor het initiëren van een executiegeschil gelden, dan zou het tot gevolg hebben dat de schuldenaar/geëxecuteerde de tenuitvoerlegging van een EET-gewaarmerkte beslissing niet kan tegenhouden indien hij inmiddels de vordering heeft voldaan. Immers, in een dergelijk geval heeft de schuldeiser/executant geen belang bij de tenuitvoerlegging van het vonnis; de vordering is door de betaling teniet gegaan.3 Ook is het mogelijk dat de schuldenaar aan de veroordeling gevolg heeft gegeven. Hierdoor is het doel van de rechterlijke uitspraak bereikt.4 Bij de onmogelijkheid om dit verweer in het kader van een executiegeschil aan te voeren zou de schuldenaar/geëxecuteerde na de tenuitvoerlegging van de EET-gewaarmerkte beslissing een vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking tegen de schuldeiser/executant moeten instellen. Dit brengt extra tijd en kosten met zich mee.
Naar analogie van de regeling van de exequaturverlening in de EEX-Verordening zou eventueel gesteld kunnen worden dat art. 21 EET-Vo niet tot het executiegeschil behoort maar een tussenstap tussen de EET-waarmerking en de feitelijke executie creëert. Een dergelijke benadering van de EET-regeling is mijns inziens in strijd met het doel van de EET-Verordening. Deze verordening heeft tot doel intermediaire procedures in de lidstaat van tenuitvoerlegging af te schaffen. Zou art. 21 niet tot het executiegeschil behoren, dan zou deze bepaling - als het ware - een negatieve exequaturprocedure in het leven roepen. Het zou immers aan de schuldenaar de mogelijkheid tot een toetsing van de beslissing in de lidstaat van tenuitvoerlegging bieden, waardoor de tijdige tenuitvoerlegging onmogelijk zou worden gemaakt. Nu echter de aanhef van art. 21 lid 1 bepaalt dat '... de tenuitvoerlegging wordt ... geweigerd ...', dient deze bepaling als een van de weigeringsgronden voor de tenuitvoerlegging te gelden, die in de fase van de tenuitvoerlegging ingeroepen kunnen worden.
Het instellen van een verzoek op basis van art. 21 heeft geen schorsende werking. Dit betekent dat de schuldeiser/executant de executie van de EET-gewaarmerkte beslissing mag voortzetten. Art. 23 biedt in dit geval de schuldenaar/geëxecuteerde geen mogelijkheid om de rechter in de lidstaat van tenuitvoerlegging te verzoeken om de tenuitvoerleggingsprocedure op te schorten dan wel de verleende EET te beperken tot het treffen van bewarende maatregelen. Deze mogelijkheid staat echter slechts in de door art. 23 gegeven gevallen open, namelijk indien een rechtsmiddel tegen de EET-gewaarmerkte beslissing in de lidstaat van herkomst is ingesteld of indien een vernietigings- dan wel rectificatieprocedure in die lidstaat is ingesteld.
Het ontbreken van de mogelijkheid tot het opschorten van de tenuitvoerlegging bij een beroep op art. 21 EET-Vo kan mijns inziens op twee manieren worden opgelost. Met name gezien het feit dat in de oorspronkelijke voorstellen de regeling van art. 23 ook bij een beroep op art. 21 van toepassing is geweest5, zou art. 23 analoog kunnen worden toegepast. Eveneens zou een beroep kunnen worden gedaan op het nationale recht van de lidstaat van tenuitvoerlegging. Indien een dergelijke regeling in het nationale recht ontbreekt, dient daartoe een voorziening in de uitvoeringsregeling te worden getroffen. Wat Nederland betreft, is een dergelijke regeling in de uitvoeringswet niet nodig, aangezien in een dergelijk geval de in het executiegeschil bevoegde voorzieningenrechter die het verzoek van de schuldenaar ex art. 21 EET-Vo behandelt, op grond van art. 438 lid 2 Rv verzocht kan worden de tenuitvoerlegging slechts onder een zekerheidstelling toe te staan dan wel voor de duur van de procedure op te schorten.