Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd, PbEU 2003, L 299/1.
HR, 21-11-2025, nr. 24/00603
ECLI:NL:HR:2025:1737
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
21-11-2025
- Zaaknummer
24/00603
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Premieheffing (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1737, Uitspraak, Hoge Raad, 21‑11‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:97
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2023:9879
ECLI:NL:PHR:2025:97, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 24‑01‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1737
Beroepschrift, Hoge Raad, 10‑02‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 04‑01‑2024
- Vindplaatsen
AR-Updates.nl 2025-1496
VAAN-AR-Updates.nl 2025-1496
Sdu Nieuws Arbeidsrecht 2025/368
JAR 2026/15
JIN 2026/1 met annotatie van mr. A.M.W. van Vlodrop
JAR 2026/15
Uitspraak 21‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Verbintenissenrecht. Arbeidsrecht. Recht op loon tijdens vakantie, art. 7 Arbeidstijdenrichtlijn (2003/88/EG), art. 7:639 lid 1 BW, all-in loon, variabel loon. Toepassing HvJEU 16 maart 2006, gevoegde zaken C-131/04 en C-257/04, ECLI:EU:C:2006:177 (Robinson-Steele)? Klachtplicht, art. 6:89 BW, plicht tot doorbetaling loon tijdens vakantie, ondeugdelijke nakoming of geheel niet verrichten prestatie? Art. 20 Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv), all-in loon.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/00603
Datum 21 november 2025
ARREST
In de zaak van
1. [de maatschap] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [eiser 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
3. [eiseres 3] ,
wonende te [woonplaats] ,
4. [eiseres 4] ,
wonende te [woonplaats] ,
5. [eiseres 5] ,
wonende te [woonplaats] ,
6. [eiser 6] ,
wonende te [woonplaats] ,
7. [eiseres 7] ,
wonende te [woonplaats] ,
8. [eiseres 8] ,
wonende te [woonplaats] ,
9. [eiser 9] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISERS tot cassatie, verweerders in het (gedeeltelijke voorwaardelijke) incidentele cassatieberoep,
hierna gezamenlijk: de maatschap,
advocaat: H.J.W. Alt,
tegen
1. [verweerder 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [Fysiotherapeut B] ,
wonende te [woonplaats] ,
3. [Fysiotherapeut A] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDERS in cassatie, eisers in het (gedeeltelijke voorwaardelijke) incidentele cassatieberoep,
hierna gezamenlijk: de fysiotherapeuten,
advocaten: P.A. Fruytier en F.M. Dekker.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak 7226157 AC EXPL 18-3060 LH/1040 van de rechtbank Midden-Nederland van 27 februari 2019, 31 december 2019 en 26 mei 2021;
b. de arresten in de zaak 200.299.882 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 december 2022 en 21 november 2023.
De maatschap heeft tegen het arrest van het hof van 21 november 2023 beroep in cassatie ingesteld.
De fysiotherapeuten hebben (gedeeltelijk voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt in het principale cassatieberoep tot verwerping en in het incidentele cassatieberoep tot vernietiging en verwijzing.
De advocaat van de maatschap heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
Het gaat in deze uitspraak om de vraag of afspraken over een variabel all-in loon in een arbeidsovereenkomst nietig zijn wegens strijd met het door art. 7 van de Europese Arbeidstijdenrichtlijn1.verzekerde recht van werknemers op een betaalde vakantie. Onder meer is aan de orde of de bepaling zich verzet tegen een regeling waarbij over de vakantieperiode loon wordt betaald, maar de werknemer als gevolg van het opnemen van vakantie nadeel ondervindt in de opbouw van zijn loon.
2.2
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De fysiotherapeuten zijn tussen 2009 en 2018 voor verschillende periodes parttime in dienst geweest bij de maatschap. Op hun arbeidsovereenkomsten is geen cao van toepassing.
(ii) De arbeidsovereenkomsten zijn grotendeels gelijkluidend, en bevatten in art. 4 de regeling over het salaris en de vakantietoeslag. De tekst daarvan luidt in een van de overeenkomsten:
“4.1 Variabel salaris.
Grondslag voor de berekening van het [a]an de werknemer toekomende salaris zijn de door de werknemer in dienst van de werkgever verrichte behandelingen, met dien verstande, dat de totale loonkosten voor de werkgever 61,9% bedragen van de door de werknemer zelf gerealiseerde omzet van verzekerden en particulieren. Het percentage wordt bepaald door het te verlonen normpercentage minus het kortingspercentage volgens vastgelegde taakverdeling. (…) Het garantiesalaris bedraagt € 1976,00 bruto per maand (…). Het bruto maandsalaris bedraagt € 2533,00 (het bruto maandsalaris bestaat uit een twaalfde gedeelte van het te verwachten bruto jaarsalaris na aftrek van vakantietoeslag).
4.2
Werknemer ontvangt jaarlijks 8% vakantietoeslag over de som van het salaris, dat hij in de aan 1 juni van het betreffende kalenderjaar voorafgaande 12 maanden heeft ontvangen.
4.3
De vakantietoeslag wordt maandelijks uitbetaald met de salarisbetaling, voor zover werknemer op dat moment reeds vakantietoeslag heeft opgebouwd, en voor het overige bij het einde van deze arbeidsovereenkomst.”
Het percentage van 61,9 bedroeg in de andere arbeidsovereenkomsten 60,9.
(iii) In art. 5 van de arbeidsovereenkomsten staat dat de werknemer bij een voltijds dienstverband van 40,75 uur (gemiddeld) per week recht heeft op 23 vakantiedagen per kalenderjaar, exclusief feestdagen.
2.3
De fysiotherapeuten vorderen in deze procedure betaling van achterstallig loon, achterstallige vakantietoeslag, en vergoeding voor vakantiedagen en voor ten onrechte ingehouden werkgeverslasten. De kantonrechter heeft de vorderingen grotendeels afgewezen.
2.4
Het hof2.heeft de vonnissen van de kantonrechter vernietigd en heeft de maatschap veroordeeld de fysiotherapeuten bedragen te betalen ter zake van achterstallig salaris en uitbetaling vakantiedagen. De overige vorderingen heeft het hof afgewezen. Hieraan heeft het – kort weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd.
De kantonrechter heeft het beroep van de maatschap op schending van de klachtplicht verworpen. Omdat dit oordeel in hoger beroep niet is betwist, gaat ook het hof ervan uit dat de (door de fysiotherapeuten betwiste) stelling van de maatschap dat de fysiotherapeuten lange tijd geen bezwaar hebben gemaakt, niet aan toewijzing van de vorderingen in de weg staat. (rov. 3.7)
Art. 4 van de arbeidsovereenkomst legt het hof zo uit, dat partijen bedoeld hebben een salaris inclusief vakantietoeslag en loon over vakantiedagen overeen te komen. (rov. 3.8-3.12)
Art. 7:639 BW en art. 7:640 BW regelen de aanspraken van een werknemer op vakantie met behoud van loon. Dit is dwingend recht dat moet worden uitgelegd volgens de Europese Richtlijn 2003/88/EG. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) heeft bij herhaling beslist dat uit het recht op doorbetaling van loon van art. 7 van de Richtlijn voor de werkgever de verplichting voortvloeit om de werknemer in staat te stellen vakantie daadwerkelijk op te nemen. Uitgangspunt is daarom dat het in beginsel niet mogelijk is om loon gedurende vakantiedagen in een all-in salaris op te nemen. Dat heeft het HvJEU in het arrest Robinson-Steele3.ook met zoveel woorden beslist. Volgens die uitspraak verzet art. 7 Richtlijn zich er niet tegen dat als (in strijd met dit uitgangspunt) bovenop het reguliere loon toch betalingen worden gedaan als uitbetaling van vakantiedagen, deze betalingen worden verrekend met het loon voor een bepaalde vakantieperiode. Dat kan alleen als dat op (door de werkgever te bewijzen) transparante en begrijpelijke wijze gebeurt. Daarvan is in deze zaak geen sprake. Weliswaar staat in art. 5 van de arbeidsovereenkomsten een aantal vakantiedagen genoemd, maar dat is ook alles. In de arbeidsovereenkomsten staat niet hoe die vakantiedagen zich verhouden tot het salaris van art. 4. Op geen enkele manier wordt uit de arbeidsovereenkomsten, uit de loonstroken of uit de jaarlijkse afrekeningen duidelijk welk deel van het loon is bedoeld als (reservering voor) uitbetaling van de vakantiedagen. Daardoor was dat voor de fysiotherapeuten niet transparant. Omdat zij meer salaris verdienden als zij werkten en niet helder was welk deel van het loon gereserveerd was voor vakantie, werden zij in feite gestimuleerd om geen vakantie op te nemen. Dat is niet toegestaan. (rov. 3.16)
De afspraak dat de uitbetaling van vakantiedagen is begrepen in het all-in salaris, is dus nietig. De fysiotherapeuten hebben wel vakantie opgenomen, maar geen loon daarover ontvangen. De maatschap beroept zich subsidiair op verrekening van de vorderingen met de door de maatschap betaalde bedragen ter zake van vakantie. Dat beroep gaat niet op: vanwege het ontbreken van transparantie en begrijpelijkheid is verrekening nu juist niet toegestaan. Bovendien heeft de maatschap niet voldaan aan haar stelplicht en ontbreekt een verlofadministratie. (rov. 3.18)
Er is een all-in loon overeengekomen. Dat is op het punt van uitbetaling vakantiedagen niet toelaatbaar, maar voor de rest wel. Afgesproken is dat ‘de totale loonkosten voor de werkgever’ een percentage van de omzet bedragen. Onder de loonkosten vallen ook de werkgeverslasten. Op grond van art. 4.1 van de arbeidsovereenkomsten is het bruto variabel loon (inclusief vakantietoeslag) daarom het desbetreffende percentage van de omzet, te verminderen met de werkgeverslasten. Dat is het overeengekomen brutoloon en komt niet in strijd met art. 20 Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: Wfsv), waarvan het doel is om werknemers te beschermen tegen onvoorziene financiële risico’s. Het zal daarbij veelal gaan om verhaal achteraf. Daarvan is in dit geval geen sprake. (rov. 3.27)
3. Beoordeling van het middel in het principale beroep
3.1
Onderdeel I van het middel klaagt onder meer dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door aan te nemen dat het arrest Robinson-Steele4.van het HvJEU in deze zaak van toepassing is. In die uitspraak ging het om het geval dat tijdens vakantie in het geheel geen loon werd doorbetaald. In deze zaak is maandelijks loon betaald, ook tijdens de door de fysiotherapeuten opgenomen vakantie. Daardoor is er evenmin strijd met art. 7, onder a, Arbeidstijdenrichtlijn, aldus het onderdeel.
3.2.1
Art. 7:639 lid 1 BW bepaalt dat een werknemer gedurende zijn vakantie recht op loon behoudt. Deze bepaling is van dwingend recht, zo volgt uit art. 7:645 BW, en moet worden uitgelegd in overeenstemming met art. 7 lid 1 Arbeidstijdenrichtlijn.
3.2.2
Art. 7 Arbeidstijdenrichtlijn luidt:
“Jaarlijkse vakantie
1. De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat aan alle werknemers jaarlijks een vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken wordt toegekend, overeenkomstig de in de nationale wetten en/of gebruiken geldende voorwaarden voor het recht op en de toekenning van een dergelijke vakantie.
2. De minimumperiode van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon kan niet door een financiële vergoeding worden vervangen, behalve in geval van beëindiging van het dienstverband.”
Het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon is ook verankerd in art. 31 lid 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.5.
3.2.3
Naar vaste rechtspraak van het HvJEU strekt het vereiste van betaling van vakantieloon, zoals neergelegd in de hiervoor in 3.2.2 genoemde richtlijnbepaling, ertoe de werknemer tijdens de jaarlijkse vakantie in een situatie te plaatsen die wat betreft beloning vergelijkbaar is met de situatie tijdens de gewerkte periodes,6.en de werknemer daardoor in staat te stellen de vakantie waarop hij recht heeft, daadwerkelijk op te nemen.7.Voorkomen moet worden dat de werknemer door een financieel nadeel ervan kan worden weerhouden zijn recht op jaarlijkse vakantie uit te oefenen.8.
Als de beloning van een werknemer voor een belangrijk deel bestaat uit een vergoeding voor in het kader van zijn arbeidsovereenkomst op regelmatige basis verricht overwerk, wordt volgens het HvJEU die werknemer tijdens zijn jaarlijkse vakantie slechts dan in een situatie geplaatst die wat betreft beloning vergelijkbaar is met de normale situatie tijdens de gewerkte periodes, indien de beloning voor het overwerk bij het vaststellen van het vakantieloon meetelt.9.Als de beloning van een werknemer voor een belangrijk deel bestaat uit commissie voor door hem gerealiseerde verkopen, mag de werknemer volgens het HvJEU niet worden ontmoedigd vakantie te nemen doordat hij over de vakantieperiode geen commissie ontvangt.10.
3.2.4
Het arrest Robinson-Steele van het HvJEU had betrekking op gevallen waarin het loon voor jaarlijkse vakantie was begrepen in het uur- of dagloon dat de werknemers ontvingen voor daadwerkelijk gewerkte uren respectievelijk dagen, en waarin de werknemers dus feitelijk geen loonbetaling ontvingen tijdens de periode waarin zij vakantie opnamen. Het HvJEU wijst in de uitspraak op het verbod van art. 7 lid 2 Arbeidstijdenrichtlijn om de minimumperiode van jaarlijkse vakantie met behoud van loon te vervangen door een financiële vergoeding, behoudens in geval van beëindiging van het dienstverband. Het verbod moet verzekeren dat de werknemer daadwerkelijke rust kan genieten. Een loonafspraak die inhoudt dat betaling uit hoofde van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon samen met en in aanvulling op het uurloon wordt betaald, kan leiden tot een situatie die in strijd komt met het verbod. Het HvJEU oordeelt vervolgens dat art. 7 Arbeidstijdenrichtlijn zich ertegen verzet dat de betaling van het loon voor de minimale jaarlijkse vakantie geschiedt in gedeelten die, verspreid over het betrokken arbeidsjaar, samen met het loon voor verrichte arbeid worden uitgekeerd, en niet als uitkering uit hoofde van een bepaalde periode waarin de werknemer daadwerkelijk vakantie opneemt.11.
Art. 7 Arbeidstijdenrichtlijn staat volgens het HvJEU in beginsel niet eraan in de weg dat bedragen die, samen met het loon voor verrichte arbeid, op transparante en begrijpelijke wijze als loon voor de minimale jaarlijkse vakantie zijn uitbetaald in de vorm van uitkeringen in gedeelten, verspreid over het betrokken arbeidsjaar, worden verrekend met het loon voor een bepaalde vakantie die de werknemer daadwerkelijk opneemt.12.Dit oordeel ziet, blijkens de door het HvJEU gebruikte bewoordingen “betalingen die in het kader van een dergelijke met de richtlijn strijdige regeling reeds als loon voor de minimale jaarlijkse vakantie in de zin van die bepaling zijn verricht”, op gevallen waarin een met de richtlijn strijdige betaling van loon ten aanzien van vakantie heeft plaatsgevonden, en staat dus slechts toe dergelijke betalingen ter correctie te verrekenen met het over vakantie verschuldigde loon, mits aan de vereisten van transparantie en begrijpelijkheid is voldaan. Deze mogelijkheid van verrekening betekent, gelet op de geciteerde bewoordingen van het HvJEU en de overige overwegingen van de uitspraak, niet dat een all-in regeling waarbij over de vakantieperiode geen loon wordt uitbetaald, volgens de richtlijn is toegestaan.
3.2.5
Uit de rechtspraak van het HvJEU kan met het oog op deze zaak het volgende worden afgeleid over de betekenis van art. 7 Arbeidstijdenrichtlijn voor verschillende wijzen van vaststelling en betaling van loon: i) art. 7 Arbeidstijdenrichtlijn verzet zich niet tegen een regeling waarbij de werknemer een vast loon per tijdvak (bijvoorbeeld per maand) krijgt betaald waarin een vergoeding voor de vakantiedagen is begrepen, indien deze loonbetaling ook over de vakantieperiode wordt voortgezet, hetgeen wil zeggen dat met betrekking tot de vakantieperiode loon wordt betaald kort voor of na of tijdens deze periode; ii) de bepaling verzet zich wel tegen een regeling waarbij de werknemer over de tijdvakken dat hij werkt een vast loon ontvangt waarin een vergoeding voor de vakantiedagen is begrepen, indien dit loon niet wordt uitbetaald kort voor of na of tijdens de periode waarin de werknemer daadwerkelijk vakantie geniet; iii) als de beloning van de werknemer geheel of voor een belangrijk deel niet vast is, maar afhankelijk is van met het werk verbonden prestaties (zoals overwerk of commissie) moet daarmee rekening worden gehouden bij het vaststellen van het vakantieloon. In zoverre is sprake van een acte éclairé en is er geen aanleiding prejudiciële vragen aan het HvJEU te stellen over de uitleg van art. 7 Arbeidstijdenrichtlijn.13.
3.2.6
Onderdeel I wijst er terecht op dat in de onderhavige zaak loon werd uitbetaald over de periode waarin de fysiotherapeuten vakantie genoten. In dat relevante opzicht verschilt deze zaak dus van het geval waarop de uitspraak van het HvJEU Robinson-Steele zag. Het onderdeel kan desondanks niet tot cassatie leiden. Anders dan het onderdeel tot uitgangspunt neemt, zit het probleem volgens het hof niet in de hiervoor in 3.2.5 onder ii) genoemde wijze van vaststelling en betaling van loon, maar in het feit dat er bij het vaststellen van het loon ten aanzien van de vakantie geen rekening mee is gehouden dat de beloning van de fysiotherapeuten omzetafhankelijk was (de aldaar onder iii) genoemde wijze van vaststelling en betaling van loon). Het oordeel van het hof moet blijkens het slot van rov. 3.16 aldus worden begrepen dat het beloningssysteem de fysiotherapeuten ontmoedigde vakantie op te nemen doordat zij tijdens de vakantie geen omzet genereerden en hun salaris uiteindelijk – zodra het boven het garantiebedrag uitkwam – van hun omzet afhankelijk was. De fysiotherapeuten verdienden naar het oordeel van het hof meer salaris als zij doorwerkten dan als zij vakantie namen. Daarin ligt besloten dat niet was voorzien in een methode van salarisberekening waarbij het gemis aan omzet over de vakantieperiode werd gecompenseerd.14.Dat het hof de wijze van loonbetaling onder deze omstandigheden in strijd heeft geacht met art. 7:639 lid 1 BW, uitgelegd in overeenstemming met art. 7 lid 1 Arbeidstijdenrichtlijn, geeft in het licht van de hiervoor in 3.2.3-3.2.5 weergegeven rechtspraak van het HvJEU geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
3.3
De onderdelen II.1 en II.2 klagen dat het hof met zijn oordeel in rov. 3.7 de devolutieve werking van het hoger beroep heeft miskend. Het hof heeft ten onrechte en/of zonder begrijpelijke motivering geoordeeld dat de verwerping door de kantonrechter van het beroep van de maatschap op schending van de klachtplicht in hoger beroep niet is betwist, zodat er bij de verdere beoordeling van wordt uitgegaan dat de stelling van de maatschap dat de fysiotherapeuten lange tijd geen bezwaar hebben gemaakt, niet aan toewijzing van de vorderingen in de weg staat. Gesteld noch gebleken is dat de maatschap het verweer in hoger beroep heeft prijsgegeven, zodat het hof het verweer op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep opnieuw moest beoordelen. Een aparte klacht of incidentele grief was daartoe, anders dan het hof kennelijk meent, niet noodzakelijk, aldus de onderdelen.
Voor zover het hof in rov. 3.7 heeft geoordeeld dat art. 6:89 BW niet van toepassing zou zijn op een arbeidsovereenkomst en/of dat in arbeidsverhoudingen de klachtplicht terughoudend moet worden toegepast, is dat oordeel volgens onderdeel II.3 onjuist dan wel ontoereikend gemotiveerd. Ook van een werknemer mag worden verwacht dat hij zijn loonstrook controleert en bij een fout binnen bekwame tijd klaagt, zeker wanneer het zoals hier gaat om een kleine werkgever en een ruim tijdsverloop waarin gestelde aanspraken kunnen oplopen tot onaanvaardbare risico’s, aldus de klacht.
3.4.1
Bij de beoordeling van deze klachten wordt het volgende vooropgesteld. Art. 6:89 BW is in beginsel van toepassing op alle verbintenissen, waaronder die uit hoofde van een arbeidsovereenkomst en die tot betaling van een geldsom. Dat laat onverlet dat de aard en inhoud van de rechtsverhouding en de aard en inhoud van de prestatie wel behoren tot de omstandigheden die van belang zijn bij de beoordeling of de schuldeiser aan zijn klachtplicht heeft voldaan.15.
Gelet op de strekking van art. 6:89 BW, alsmede op de bewoordingen waarin de bepaling is gesteld – nu daarin wordt gesproken over ‘een gebrek in de prestatie’ – ziet art. 6:89 BW slechts op gevallen van ondeugdelijke nakoming en niet (mede) op gevallen waarin in het geheel geen prestatie is verricht.16.
Volgens art. 7:639 BW behoudt een werknemer gedurende zijn vakantie recht op loon. De verplichting van de werkgever tot doorbetaling van loon over de vakantieperiode ziet dan ook niet op een afzonderlijke prestatie, maar is onderdeel van het recht op loonbetaling in het algemeen. Gelet daarop, strookt het met de hiervoor aangehaalde rechtspraak om het niet (volledig) betalen van loon over vakantiedagen aan te merken als ondeugdelijke nakoming in de zin van art. 6:89 BW, en niet als het in het geheel niet verrichten van een prestatie. De werknemer moet dus in beginsel klagen over een onvolledige uitbetaling van loon, ook als dit loon over vakantiedagen betreft.
3.4.2
De maatschap heeft in eerste aanleg ter afwering van de vorderingen van de fysiotherapeuten tot betaling van loon over hun vakantie een beroep op schending van de klachtplicht gedaan. De kantonrechter heeft dit verweer verworpen, maar heeft de vorderingen van de fysiotherapeuten op andere gronden afgewezen. De fysiotherapeuten hebben die afwijzing in hoger beroep bestreden. De devolutieve werking van het hoger beroep brengt mee dat het hof, na gegrondbevinding van een deel van de grieven van de fysiotherapeuten tegen de afwijzing van hun vorderingen, ambtshalve acht diende te slaan op alle door de maatschap in eerste aanleg aangevoerde stellingen en verweren, ook voor zover deze door de rechtbank waren verworpen of buiten behandeling waren gelaten. Dat geldt ook voor het beroep op de klachtplicht, nu het hof niet heeft vastgesteld dat de maatschap het beroep daarop in hoger beroep heeft prijsgegeven.
De hiervoor in 3.3 weergegeven klachten van de onderdelen II.1 en II.2 treffen dus doel. Onderdeel II.3 kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden, omdat het hof over de toepasselijkheid van de klachtplicht geen oordeel heeft gegeven.
3.5
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
4.1
Onderdeel 1.1 van het middel klaagt dat onjuist is het oordeel van het hof in rov. 3.27 dat het tussen partijen overeengekomen all-in loon, te weten het percentage van de omzet verminderd met de werkgeverslasten, niet in strijd is met art. 20 Wfsv. Deze loonafspraak leidt ertoe dat de werkgeverslasten voor rekening en risico komen van de werknemer, hetgeen art. 20 Wfsv beoogt te voorkomen, aldus de klacht.
4.2.1
Werkgevers zijn verplicht de premie te voldoen voor werknemersverzekeringen. In dat verband bepaalt art. 20 Wfsv het volgende:
“Verbod verhaal op werknemer.
De werkgever mag de door hem verschuldigde premie niet verhalen op de werknemer. Elk beding waarbij van de eerste zin wordt afgeweken, is nietig.”
4.2.2
Tot 2013 betaalden werknemers zelf een deel van de premies voor werknemersverzekeringen. Eerdere versies van het wetsartikel bepaalden daarom dat de werkgever het door de werknemer verschuldigde deel van de premie op het loon van de werknemer mocht inhouden. Indien de inhouding op het loon niet had plaatsgevonden, bijvoorbeeld omdat de premie met terugwerkende kracht was verhoogd, mocht de werkgever het door de werknemer verschuldigde deel van de premie echter niet alsnog verhalen op de werknemer. De bepaling beoogt ook in haar huidige versie de werknemer te beschermen tegen onvoorziene financiële risico’s die gepaard kunnen gaan met het verhalen van premies voor werknemersverzekeringen op de werknemer.17.
4.2.3
Het hof heeft in rov. 3.27 overwogen dat het tussen partijen overeengekomen all-in loon niet in strijd komt met art. 20 Wfsv, omdat het doel van die bepaling is werknemers te beschermen tegen onvoorziene financiële risico’s, veelal veroorzaakt door verhaal achteraf. Van dergelijke risico’s is volgens het hof in dit geval geen sprake. De werkgeverslasten zijn onderdeel van het vaste percentage aan ‘totale loonkosten’ dat op de omzet in mindering wordt gebracht. Hetgeen resteert, is het overeengekomen brutoloon. In deze overwegingen ligt besloten dat de fysiotherapeuten van een eventuele verhoging van de premie met terugwerkende kracht geen nadeel kunnen ondervinden, doordat het percentage aan werkgeverslasten is gefixeerd.
Uit het voorgaande volgt dat het hof is uitgegaan van een juiste uitleg van art. 20 Wfsv. De klacht van onderdeel 1.1 is daarom tevergeefs voorgesteld.
4.3.1
Onderdeel 2 klaagt over onbegrijpelijkheid van de in rov. 3.34 opgenomen berekeningen van het jaarsalaris van [Fysiotherapeut A] en [Fysiotherapeut B] .
4.3.2
Volgens onderdeel 2.1 heeft het hof in zijn berekening van het jaarsalaris van [Fysiotherapeut A] over 2014 ten onrechte geen acht geslagen op de arbeidsongeschiktheidsuitkering van [Fysiotherapeut A] , te meer nu de maatschap de berekening op dit punt niet heeft betwist. Voor zover het hof zou hebben gemeend dat het met de arbeidsongeschiktheidsuitkering geen rekening hoefde te houden, is zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd, aldus de klacht.
Deze klacht slaagt op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5.19-5.20.
4.3.3
Onderdeel 2.2 acht onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat [Fysiotherapeut B] haar vordering slechts heeft gebaseerd op een gesteld tekort aan garantiesalaris en niet op de stelling dat zij op basis van haar werkelijke omzet recht had op een hoger salaris. Het hof heeft ten onrechte niet in zijn oordeel betrokken de stelling van [Fysiotherapeut B] dat het gevorderde bedrag van € 13.803,58 aan achterstallig salaris uit twee componenten bestaat, te weten € 5.964,42 ter zake van garantiesalaris en € 7.836,16 aan te weinig ontvangen (all-in) loon over 2015 op basis van haar werkelijke omzet en de door haar verzorgde fysiotraining.
Deze klacht treft doel op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5.24.
4.4
Onderdeel 3 is ingesteld onder de voorwaarde dat onderdeel 1.1 van het incidentele cassatiemiddel slaagt. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor in 4.2.3 is overwogen, is deze voorwaarde niet vervuld. Het onderdeel behoeft dus geen behandeling.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale en in het incidentele beroep:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 november 2023;
- verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;
in het principale beroep voorts:
- veroordeelt de fysiotherapeuten in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de maatschap begroot op € 3.035,22 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de fysiotherapeuten deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan;
in het incidentele beroep voorts:
- veroordeelt de maatschap in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de fysiotherapeuten begroot op € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de maatschap deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, S.J. Schaafsma en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 21 november 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 21‑11‑2025
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 november 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:9879.
HvJEU 16 maart 2006, gevoegde zaken C-131/04 en C-257/04, ECLI:EU:C:2006:177 (Robinson-Steele).
HvJEU 16 maart 2006, gevoegde zaken C-131/04 en C-257/04, ECLI:EU:C:2006:177 (Robinson-Steele).
PbEU 2000, C 364/1.
Onder meer HvJEU 16 maart 2006, gevoegde zaken C-131/04 en C-257/04, ECLI:EU:C:2006:177 (Robinson-Steele), punt 58-59; HvJEU 15 september 2011, zaak C-155/10, ECLI:EU:C:2011:588 (Williams e.a./British Airways), punt 20 en 23; HvJEU 22 mei 2014, zaak C‑539/12, ECLI:EU:C:2014:351 (Lock/British Gas Trading), punt 16-17.
HvJEU 16 maart 2006, gevoegde zaken C-131/04 en C-257/04, ECLI:EU:C:2006:177 (Robinson-Steele), punt 49; HvJEU 22 mei 2014, zaak C‑539/12, ECLI:EU:C:2014:351 (Lock/British Gas Trading), punt 20 en 23; HvJEU 13 december 2018, zaak C-385/17, ECLI:EU:C:2018:1018 (Hein/Holzkamm), punt 44.
Vgl. HvJEU 13 december 2018, zaak C-385/17, ECLI:EU:C:2018:1018 (Hein/Holzkamm), punt 44, onder verwijzing naar de uitspraak Robinson-Steele.
HvJEU 13 december 2018, zaak C-385/17, ECLI:EU:C:2018:1018 (Hein/Holzkamm), punt 46-47.
HvJEU 22 mei 2014, zaak C‑539/12, ECLI:EU:C:2014:351 (Lock/British Gas Trading).
HvJEU 16 maart 2006, gevoegde zaken C-131/04 en C-257/04, ECLI:EU:C:2006:177 (Robinson-Steele), punt 60-63.
HvJEU 16 maart 2006, gevoegde zaken C-131/04 en C-257/04, ECLI:EU:C:2006:177 (Robinson-Steele), punt 69.
HvJEU 6 oktober 2021, zaak C-561/19, ECLI:EU:C:2021:799 (Consorzio Italian Management c.s./Rete Ferroviaria Italiana).
Vgl. HvJEU 13 december 2018, zaak C-385/17, ECLI:EU:C:2018:1018 (Hein/Holzkamm), punt 47.
HR 20 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1278, rov. 3.2.
Vgl. HR 20 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1278, rov. 3.3.
Zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5.5-5.7.
Conclusie 24‑01‑2025
Inhoudsindicatie
Arbeidsrecht. Verbintenissenrecht. All-in loon fysiotherapeuten; vordering achterstallig loon over genoten vakantiedagen (art. 7:639 lid 1 BW en art. 7 lid 1 Arbeidstijdenrichtlijn 2003/88/EG); toepassing arrest HvJEU Robinson-Steele (ECLI:EU:C:2006:177). Verhaalsverbod premies werknemersverzekeringen (art. 20 Wfsv).
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00603
Zitting 24 januari 2025
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
1. [de maatschap] ,
2. [eisers 2],
eisers tot cassatie,
verweerders in het incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
tegen
1. [verweerder 1] ,
2. [verweerster 2] ,
3. [verweerster 3],
verweerders in cassatie,
eisers in het incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. P.A. Fruytier en mr. F.M. Dekker.
Eisers worden hierna gezamenlijk verkort aangeduid als de maatschap. Verweerders worden aangeduid als de fysiotherapeuten en afzonderlijk als [verweerder 1], [verweerster 2] en [verweerster 3].
1. Inleiding en samenvatting
1.1
In deze zaak vorderen drie fysiotherapeuten betaling van achterstallig loon door de maatschap, hun voormalig werkgever. In cassatie staat vast dat partijen bedoeld hebben een ‘all-in’ loon overeen te komen, een bruto maandsalaris waar de vakantietoeslag en het loon over vakantiedagen in zitten. Het brutosalaris van de individuele fysiotherapeut omvat een zogenoemd variabel loon, dat wordt bepaald op basis van een percentage van de door hem of haar gerealiseerde omzet. Daarnaast is een garantiesalaris overeengekomen dat de ondergrens vormt van de beloning van de fysiotherapeut.
1.2
Het principaal beroep van de maatschap richt zich onder meer tegen het oordeel van het hof dat deze beloningsafspraak nietig is op het punt van het loon over vakantiedagen. Het oordeel van het hof acht ik echter juist, gelet op Europese rechtspraak over het recht van werknemers op betaalde vakantie. De fysiotherapeuten ontvingen loon in de maand(en) dat zij vakantie genoten, maar bouwden over die dagen geen loon op omdat zij geen omzet genereerden. De overige klachten, onder meer de klacht dat beroep had moeten worden gedaan op het klachtrecht (art. 6:89 BW), zie ik evenmin slagen.
1.3
In het incidenteel cassatieberoep is onder meer in geschil of de maatschap de werkgeverslasten kon betrekken bij de berekening van het all-in brutoloon. Volgens de fysiotherapeuten is dat in strijd met het verhaalsverbod van art. 20 Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv). Het hof heeft geoordeeld dat de maatschap art. 20 Wfsv niet heeft geschonden. Dat lijkt mij juist. Voorts worden motiveringsklachten aangevoerd over de berekening van door twee fysiotherapeuten nog te ontvangen loon. Die klachten slagen.
2. Feiten
2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.1.
2.2
De fysiotherapeuten zijn in dienst geweest van de maatschap. [verweerder 1] van 1 mei 2010 tot 1 mei 2018, [verweerster 2] van 1 januari 2009 tot 1 juni 2018 en [verweerster 3] van 3 september 2009 tot 1 januari 2015.
2.3
Op de arbeidsovereenkomsten is geen cao van toepassing.
2.4
De arbeidsovereenkomsten van de fysiotherapeuten zijn grotendeels gelijkluidend. Art. 4 gaat over het salaris. De eerste drie leden luiden (ontleend aan de arbeidsovereenkomst van [verweerder 1] ):
“4.1 Variabel salaris.
Grondslag voor de berekening van het [a]an de werknemer toekomende salaris zijn de door de werknemer in dienst van de werkgever verrichte behandelingen, met dien verstande, dat de totale loonkosten voor de werkgever 61,9% bedragen van de door de werknemer zelf gerealiseerde omzet van verzekerden en particulieren. Het percentage wordt bepaald door het te verlonen normpercentage minus het kortingspercentage volgens vastgelegde taakverdeling. De taakverdeling zoals beschreven in artikel 7.21 van de CAO is conform situatie III. In situatie III worden de beheers-, administratie- en receptionele taken uitgevoerd door de werkgever. Het garantiesalaris bedraagt € 1976,00 bruto per maand (het garantiesalaris wordt bepaald door het overeengekomen aantal minimaal te werken uren te vermenigvuldigen met het FWV en FDV aan te geven uurloon). Het bruto maandsalaris bedraagt € 2533,00 (het bruto maandsalaris bestaat uit een twaalfde gedeelte van het te verwachten bruto jaarsalaris na aftrek van vakantietoeslag).
4.2
Werknemer ontvangt jaarlijks 8% vakantietoeslag over de som van het salaris, dat hij in de aan 1 juni van het betreffende kalenderjaar voorafgaande 12 maanden heeft ontvangen.
4.3
De vakantietoeslag wordt maandelijks uitbetaald met de salarisbetaling, voor zover werknemer op dat moment reeds vakantietoeslag heeft opgebouwd, en voor het overige bij het einde van deze arbeidsovereenkomst.”
Het percentage van 61,9 bedroeg in de arbeidsovereenkomsten van [verweerster 3] en [verweerster 2] 60,9%. In de arbeidsovereenkomst van [verweerster 2] staat een garantieloon van € 1.646,67 en een bruto maandsalaris van € 2.089,84. In de arbeidsovereenkomst van [verweerster 3] staat een bruto maandsalaris van € 2.507,80.
2.5
Art. 5 van de arbeidsovereenkomsten van de fysiotherapeuten ziet op vakantiedagen. Daar staat dat de werknemer bij een voltijds dienstverband van 40,75 uur (gemiddeld) per week recht heeft op 23 vakantiedagen per kalenderjaar, exclusief feestdagen.
2.6
De fysiotherapeuten werkten alle drie parttime voor de maatschap. [verweerder 1] werkte aanvankelijk minimaal 24 en laatstelijk 28 uur/week. [verweerster 2] werkte aanvankelijk minimaal 20 uur/week en vanaf 1 april 2018 15 uur/week. De aanstelling van [verweerster 3] bedroeg minimaal 24 uur/week. Deze verschillen verklaren de verschillen in bruto maandsalaris en garantieloon (zie het slot van 2.4).
2.7
Behalve het geven van fysiotherapeutische behandelingen hebben de fysiotherapeuten tegen een vast salaris per uur ook fysiotraining (aan groepen) gegeven.
2.8
Ruim voordat de fysiotherapeuten bij de maatschap in dienst traden, bevatte de cao voor de vrijgevestigde fysiotherapiepraktijk 2003 een algemeen verbindend verklaarde bepaling2.met betrekking tot ‘Beloning variabel salaris’ (art. 9):
“1. Grondslag berekening variabel salaris
Grondslag voor de berekening van het aan de werknemer toekomende salaris zijn de door de werknemer in dienst van de werkgever verrichte behandelingen met dien verstande dat de totale loonkosten voor de werkgever niet meer bedragen dan een percentage van de door de werknemer zelf gerealiseerde omzet (van ziekenfondsverzekerden en particulier verzekerden). Dit wordt het te verlonen omzetpercentage genoemd. Zie bijlage 6.
In de totale loonkosten zijn de volgende elementen opgenomen: bruto loon, werkgeverslasten waaronder de premie voor de ziekengeldverzekering/arbodienst, de basispremie WAO en - indien van toepassing - de gedifferentieerde premie WAO die voor de CAO-V werkgevers is vastgesteld, vakantietoeslag, pensioenbijdrage, doorbetaling van loon tijdens vakantie, verlof en ADV-dagen.
2. Het basisomzetpercentage van het variabel salaris
De werknemer heeft tenminste recht op het basisomzetpercentage, als vermeld in bijlage 6 [dit percentage was 60,9%].
3. (…)
4. Het garantiesalaris van het variabel salaris
De werknemer met een variabel salaris heeft recht op een garantiemaandsalaris. Het garantiemaandsalaris wordt bepaald door het overeengekomen aantal minimaal te werken uren, zijnde 75% van het gemiddeld aantal te werken uren, te vermenigvuldigen met het in bijlage 6 aan te geven uurloon [dit uurloon bedroeg per 1 januari 2003 € 17,98 exclusief vakantiebijslag].
5. Maandsalaris en jaarsalaris bij het variabel salaris
Het jaarsalaris wordt bepaald door hetgeen is opgenomen in 9.1, met inachtneming van het in 9.4 bepaalde.
Ter verkrijging van een gelijkmatige salarisbetaling door het jaar vinden de salarisbetalingen maandelijks als volgt plaats: het bruto maandsalaris bestaat uit een twaalfde gedeelte van het te verwachten bruto jaarsalaris na aftrek van de vakantietoeslag.
6. Aanpassing maandsalaris bij het variabel salaris
De werkgever ziet toe op de ontwikkeling in de gerealiseerde omzet van de werknemer. Indien er structureel wijziging optreedt in de omzet van de werknemer, zal de werkgever het maandsalaris aanpassen. Het maandsalaris zal echter nooit onder het garantiesalaris vastgesteld kunnen worden.
7. Uitbetaling maandsalaris bij het variabel salaris
Het salaris wordt maandelijks uitgekeerd onder aftrek van de inhouding waartoe de werkgever wettelijk verplicht is of waartoe de werknemer hem machtigt. De betaling geschiedt op een zodanig tijdstip, dat de werknemer uiterlijk op de laatste dag van de maand over het salaris kan beschikken.
(…)”
2.9
In januari 2018 hebben de fysiotherapeuten de maatschap (opnieuw) gevraagd om verduidelijking van hun aanspraak op loon, onder meer met betrekking tot het ‘praktijktarief’ en het ‘declaratietarief’. De maatschap heeft deze vragen op 16 februari 2018 (opnieuw) beantwoord. De fysiotherapeuten hebben de maatschap bij brieven van 1 mei 2018 gesommeerd tot nabetaling van de volgens hen onbetaald gebleven bedragen.
2.10
Per 1 mei 2018 is [eiseres 4] (eiseres sub 4) niet langer maat in de maatschap. De andere maten hebben haar aandeel in de maatschap overgenomen.
3. Procesverloop
Eerste aanleg
3.1
Op 10 september 2018 hebben de fysiotherapeuten de maatschap gedagvaard voor de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de kantonrechter). De fysiotherapeuten vorderden betaling van achterstallig loon, achterstallig vakantiegeld, uitbetaling vakantiedagen en ingehouden werkgeverslasten, vermeerderd met de wettelijke verhoging, de wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten.
3.2
De maatschap heeft verweer gevoerd.
3.3
Op 28 januari 2019 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden, in aanloop waarnaartoe de fysiotherapeuten nadere stukken hebben ingediend en [verweerder 1] zijn eis heeft vermeerderd.
3.4
Bij tussenvonnis van 27 februari 20193.heeft de kantonrechter de zaak naar de rol verwezen voor uitlating door de maatschap, waarop de fysiotherapeuten schriftelijk mochten reageren. De maatschap heeft een akte genomen, gevolgd door een akte tevens inhoudende een vermeerdering van eis van de fysiotherapeuten, een akte van de maatschap en een nadere akte van de fysiotherapeuten.
3.5
Bij tussenvonnis van 31 december 20194.is de kantonrechter teruggekomen op eerdere oordelen in het tussenvonnis van 27 februari 2019.5.De kantonrechter droeg de maatschap op bepaalde stukken in het geding te brengen en gelastte een comparitie.
3.6
Op 27 oktober 2020 heeft die tweede comparitie plaatsgevonden, in aanloop waarnaartoe de maatschap tweemaal nadere producties heeft overgelegd en de fysiotherapeuten hun concept-pleitaantekeningen hebben toegestuurd. Ter zitting hebben de fysiotherapeuten de kantonrechter gewraakt. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt.
3.7
Het wrakingsverzoek is op 20 november 2020 mondeling behandeld. Op 4 december 2020 heeft de wrakingskamer het wrakingsverzoek ongegrond verklaard.6.
3.8
Op 22 april 2021 is de tweede comparitie in de hoofdzaak voortgezet via Skype. De aantekeningen van de griffier zijn aan het proces-verbaal gehecht.
3.9
Bij eindvonnis van 26 mei 20217.heeft de kantonrechter het grootste deel van de vorderingen van de fysiotherapeuten afgewezen8.en de proceskosten gecompenseerd.
Hoger beroep
3.10
Bij dagvaarding van 16 augustus 2021 zijn de fysiotherapeuten bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof), locatie Arnhem, in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de kantonrechter van 27 februari 2019, 31 december 2019 en 26 mei 2021 (hierna: de bestreden vonnissen).
3.11
De fysiotherapeuten hebben bij memorie van grieven hun eis gewijzigd. De vorderingen van de fysiotherapeuten komen neer op betaling van de hieronder genoemde posten, alles te vermeerderen met de wettelijke verhoging als bedoeld in art. 7:625 BW en wettelijke rente:9.
Vordering | [verweerder 1] | [verweerster 2] | [verweerster 3] |
achterstallig loon (bruto) | € 42.324,79 | € 13.803,58 | € 22.577,86 |
achterstallig vakantiegeld (bruto) | € 19.122,86 | € 11.617,14 | € 7.378,03 |
uitbetaling vakantiedagen (bruto) | € 35.011,61 | € 22.740,56 | € 12.807,71 |
ten onrechte ingehouden werkgeverslasten (netto) | € 41.496,39 | € 22.986,88 | € 14.023,83 |
buitengerechtelijke kosten | € 1.713,23 | € 1.146,62 | € 927,44 |
3.12
De maatschap heeft bij memorie van antwoord verweer gevoerd en incidenteel hoger beroep ingesteld.10.
3.13
De fysiotherapeuten hebben in incidenteel hoger beroep verweer gevoerd.
3.14
Op 28 juni 2023 heeft een meervoudige mondelinge behandeling plaatsgevonden. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
3.15
Bij arrest van 21 november 202311.(hierna: het bestreden arrest) heeft het hof de bestreden vonnissen vernietigd en de maatschap veroordeeld te betalen:
- aan [verweerder 1] € 3.993,49 bruto aan achterstallig salaris en € 30.586.88 bruto aan uitbetaling vakantiedagen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2018;
- aan [verweerster 2] € 22.726,40 bruto aan uitbetaling vakantiedagen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2018; en
- aan [verweerster 3] € 9.446,40 bruto aan uitbetaling vakantiedagen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2015.
Het hof heeft de proceskosten in beide instanties gecompenseerd, de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen.
3.16
Deze beslissingen van het hof komen op het volgende neer:
1) de vordering tot betaling van salaris is ten aanzien van [verweerder 1] voor een klein deel toegewezen en ten aanzien van de twee anderen afgewezen;
2) de vordering tot betaling van achterstallig vakantiegeld is afgewezen;
3) de vordering van loon over vakantiedagen is grotendeels toegewezen;
4) de vordering tot betaling van ingehouden werkgeverslasten is afgewezen;
5) de gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn eveneens afgewezen.
Cassatie
3.17
De maatschap heeft tegen het bestreden arrest – tijdig – beroep in cassatie gesteld. Haar beroep richt zich tegen de beslissing zojuist genoemd onder 3).
3.18
De fysiotherapeuten hebben een verweerschrift ingediend en incidenteel cassatieberoep ingesteld. Dat beroep richt zich tegen de beslissing zojuist genoemd onder 4). Eén onderdeel (nr. 3) is voorwaardelijk ingesteld. De maatschap heeft een verweerschrift in incidenteel cassatieberoep ingediend.
3.19
Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. De maatschap heeft gerepliceerd en de fysiotherapeuten hebben gedupliceerd.
4. Bespreking van het principaal cassatiemiddel van de maatschap
4.1
Het principaal cassatiemiddel valt uiteen in vijf onderdelen die zien op de volgende onderwerpen:
I. het aannemen van de nietigheid van het all-in salaris voor het loon over vakantiedagen;
II. het niet-behandelen van het beroep van de maatschap op de klachtplicht;
III. de verwerping van het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid;
IV. het niet-behandelen van het matigingsberoep wat betreft de wettelijke rente;
V. voortbouwklacht.
Onderdeel I: rechtsgeldigheid ‘all-in’ loon
4.2
Onderdeel I richt diverse rechts- en motiveringsklachten tegen rov. 3.16-3.20, alsmede de daarop voortbouwende rov. 3.27-3.41 en het dictum, van het bestreden arrest.
4.3
In feitelijke instanties was in geschil of met art. 4 van de arbeidsovereenkomst een all-in salaris is overeengekomen. Dat is volgens het hof het geval:
“3.12. Het hof neemt dus als uitgangspunt dat partijen bedoeld hebben een salaris inclusief vakantietoeslag en loon over vakantiedagen overeen te komen.”
Dit is in cassatie niet bestreden en vormt in cassatie dus uitgangspunt.
4.4
De fysiotherapeuten betoogden dat het niet is toegestaan dat de vakantietoeslag en het loon over vakantiedagen als onderdeel van hun bruto-maandsalaris verspreid over het jaar worden uitbetaald (zie rov. 3.13). Het hof heeft geoordeeld dat:
- de vakantietoeslag wél gespreid over het jaar mag worden betaald (rov. 3.14 en 3.15), welk oordeel door de fysiotherapeuten in cassatie niet wordt bestreden;
- het loon over de vakantiedagen geen onderdeel kan zijn van een all-in salaris (rov. 3.16-3.20), waartegen het onderdeel opkomt.
4.5
Voordat ik de klachten bespreek, maak ik algemene opmerkingen met betrekking tot het recht op loon over vakantiedagen en de (on)toelaatbaarheid van een all-in salaris.
Juridisch kader: recht op loon over vakantiedagen
4.6
Volgens art. 7:639 lid 1 BW behoudt de werknemer gedurende zijn vakantie recht op loon.12.Deze bepaling bevat een betalingsverplichting voor de werkgever. Uit art. 7:645 BW volgt dat art. 7:639 lid 1 BW van dwingend recht is.
4.7
Art. 7:639 lid 1 BW moet worden uitgelegd in overeenstemming met art. 7 lid 1 van Richtlijn 2003/88/EG (hierna: de Arbeidstijdenrichtlijn), dat voorziet in een minimumbescherming met betrekking tot het recht op een inkomen voor werknemers die met jaarlijks verlof zijn.13.
4.8
Art. 7 Arbeidstijdenrichtlijn luidt:
“Jaarlijkse vakantie
1. De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat aan alle werknemers jaarlijks een vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken wordt toegekend, overeenkomstig de in de nationale wetten en/of gebruiken geldende voorwaarden voor het recht op en de toekenning van een dergelijke vakantie.
2. De minimumperiode van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon kan niet door een financiële vergoeding worden vervangen, behalve in geval van beëindiging van het dienstverband.”
4.9
Het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon is verankerd in art. 31 lid 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). Dat de minimale vakantieperiode vier weken moet zijn volgt uit art. 7 lid 1 Arbeidstijdenrichtlijn, welke bepaling art. 31 lid 2 Handvest aldus concretiseert. Volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) moet dit recht als ‘een bijzonder belangrijk beginsel van sociaal recht van de Unie’ worden beschouwd, waarvan niet mag worden afgeweken.14.Volgens vaste rechtspraak is het recht op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon bedoeld om de werknemer tijdens de jaarlijkse vakantie in een situatie te plaatsen die qua beloning vergelijkbaar is met gewerkte periodes, en de werknemer daardoor in staat te stellen de vakantie waarop hij recht heeft daadwerkelijk op te nemen.15.
4.10
Gelet op deze Europese rechtspraak gaat ook de Hoge Raad uit van een ruim begrip vakantiedagenloon.16.Dat geldt ook voor de zogeheten bovenwettelijke vakantiedagen. Weliswaar heeft de rechtspraak van het HvJ enkel betrekking op de vier weken betaalde vakantie per jaar (de wettelijke vakantiedagen) en niet op meer betaalde vakantiedagen waartoe op nationaal niveau is besloten,17.maar art. 7:639 BW maakt geen onderscheid tussen de wettelijk voorgeschreven vakantie en bovenwettelijke vakantie.18.
4.11
Indachtig de wijze waarop het loon van de fysiotherapeuten uit de onderhavige zaak is vastgesteld, zijn twee uitspraken van het HvJ in het bijzonder relevant.
4.12
Dat is allereerst het arrest Robinson-Steele uit 2006.19.De arbeidsovereenkomst in die zaak bevatte de volgende bepaling (zie punt 15):
“Het recht op loon voor vakantieperioden groeit aan naar rato van de periode waarin de tijdelijk werknemer tijdens het jaar van de vakantie ononderbroken in loondienst heeft gewerkt. De tijdelijk werknemer aanvaardt dat de betaling uit hoofde van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon samen met en in aanvulling op het uurloon van de tijdelijk werknemer wordt betaald ten belope van 8,33 % van dit uurloon.”
Deze 8,33% leverde op jaarlijkse basis precies het bedrag op van vier weeklonen.20.
4.13
Het HvJ constateert dat de Arbeidstijdenrichtlijn niet uitdrukkelijk het moment vastlegt waarop het vakantieloon moet worden betaald (punt 54). De Arbeidstijdenrichtlijn behandelt het recht op jaarlijkse vakantie en het recht op betaling uit hoofde daarvan als twee aspecten van één recht (punt 58). Het vereiste van betaling van vakantieloon heeft tot doel de werknemer tijdens de jaarlijkse vakantie in een situatie te plaatsen die qua beloning vergelijkbaar is met de situatie tijdens de gewerkte periodes (punt 58).21.Verder wijst het HvJ erop dat de minimumperiode van jaarlijkse vakantie met behoud van loon niet kan worden vervangen door een financiële vergoeding, welk verbod dient te verzekeren dat de werknemer daadwerkelijk rust kan genieten (punt 60).22.De in die zaak toepasselijke regeling kan echter leiden tot een situatie waarin de minimumperiode voor vakantie met behoud van loon wordt vervangen door een financiële vergoeding tijdens het dienstverband (punt 61. Een vergoeding in geld in plaats van vrije dagen is echter alleen mogelijk bij beëindiging van het dienstverband (art. 7 lid 2 Arbeidstijdenrichtlijn). Voorkomen moet worden dat de werknemer door een financieel nadeel ervan kan worden weerhouden om zijn recht op jaarlijkse vakantie uit te oefenen. Het HvJ concludeert dat het niet uitkeren van loon uit hoofde van een bepaalde periode waarin de werknemer daadwerkelijk vakantie opneemt, in strijd is met art. 7 lid 1 Arbeidstijdenrichtlijn (punt 63).
4.14
In punt 65 e.v. gaat het HvJ vervolgens in op de vraag
“65 […] of betalingen die in het kader van een dergelijke met de richtlijn strijdige regeling reeds als loon voor de minimale jaarlijkse vakantie in de zin van die bepaling zijn verricht, kunnen worden verrekend met de aanspraak op loon voor een bepaalde periode waarin de werknemer daadwerkelijk vakantie opneemt.”
Dat laatste mag in beginsel wel. Ik citeer het arrest (mijn onderstrepingen, ook in de citaten hierna):
“66. In dit geval verzet artikel 7 van de richtlijn zich er in beginsel niet tegen dat bedragen die bovenop het loon voor verrichte arbeid op transparante en begrijpelijke wijze als vakantieloon worden uitbetaald, worden verrekend met het loon voor een bepaalde vakantieperiode.
67. De lidstaten dienen evenwel de nodige maatregelen te treffen om te verzekeren dat met artikel 7 van de richtlijn strijdige praktijken niet in stand blijven.
68. Gelet op het dwingend karakter van het recht op jaarlijkse vakantie en teneinde de nuttige werking van artikel 7 van de richtlijn te verzekeren, is een dergelijke verrekening in ieder geval uitgesloten indien transparantie en begrijpelijkheid ontbreken. Daarbij rust de bewijslast op de werkgever.
69. Bijgevolg dient op de tweede vraag in zaak C‑131/04 en de derde vraag in zaak C‑257/04 te worden geantwoord dat artikel 7 van de richtlijn zich er in beginsel niet tegen verzet dat bedragen die op transparante en begrijpelijke wijze als loon voor de minimale jaarlijkse vakantie in de zin van die bepaling in de vorm van uitkeringen in gedeelten, verspreid over het betrokken arbeidsjaar, worden uitbetaald samen met het loon voor verrichte arbeid, worden verrekend met het loon voor een bepaalde vakantie die de werknemer daadwerkelijk opneemt.”
4.15
Samengevat heeft het HvJ geoordeeld dat de Arbeidstijdenrichtlijn zich ertegen verzet dat het loon over vakantiedagen gedurende het jaar verspreid wordt uitgekeerd. Uit de sindsdien gepubliceerde Europese rechtspraak volgt niet iets anders.23.Betalingen die op basis van zo’n regeling reeds zijn verricht, kunnen echter worden verrekend, tenzij die bedragen niet op transparante en begrijpelijke wijze zijn uitgekeerd. Wanneer precies is voldaan aan het vereiste ‘transparant en begrijpelijk’ blijkt uit het arrest niet.24.
4.16
Het tweede arrest betreft de zaak Lock/British Gas Trading en dateert uit 2014.25.
4.17
De beloning van de werknemer bestond in die zaak uit twee hoofdbestanddelen: een basisloon en een provisie. De provisie, die op maandbasis werd betaald, was variabel en werd berekend over de gerealiseerde verkopen. De provisie hing dus niet af van de geïnvesteerde arbeidstijd, maar van het resultaat van de arbeid. De werknemer in kwestie nam 2,5 week vakantie. In die maand ontving hij zijn loon. Maar in die die maand kon hij wegens zijn vakantie geen nieuwe verkooptransacties realiseren en aldus geen provisie genereren voor de periode daarna en kreeg daarom in die laatste periode minder provisie. Tegen deze achtergrond werden prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ.
4.18
Het HvJ overweegt:
“20. De in artikel 7 van richtlijn 2003/88 gestelde voorwaarden, zoals uitgelegd door het Hof, lijken inderdaad te worden nageleefd door de nationale voorschriften en praktijken aangezien de werknemer gedurende het tijdvak van zijn jaarlijkse vakantie met behoud van loon beschikt over een totaalbedrag dat vergelijkbaar is met dat wat hij ontvangt gedurende de tijdvakken van arbeid. Dit bedrag, dat wordt betaald ten eerste uit hoofde van zijn jaarlijkse vakantie en ten tweede uit hoofde van de verkopen die hij in de weken voorafgaand aan zijn jaarlijkse vakantie tot stand heeft gebracht, stelt de werknemer dus in staat de vakantie waarop hij recht heeft daadwerkelijk op te nemen (zie in die zin arrest Robinson-Steele e.a., EU:C:2006:177, punt 49).
21. Evenwel moet worden vastgesteld dat deze werknemer, niettegenstaande de beloning waarover hij beschikt gedurende het tijdvak waarin hij daadwerkelijk verlof neemt, ervan kan worden weerhouden zijn recht op jaarlijkse vakantie uit te oefenen vanwege het uitgestelde financiële nadeel, dat hij echter wel degelijk ondervindt in het tijdvak na dat van zijn jaarlijkse vakantie.
22. Zoals British Gas ter terechtzitting heeft erkend, genereert de werknemer tijdens zijn jaarlijkse vakantie immers geen provisie. Dit leidt derhalve, zoals blijkt uit punt 8 van het onderhavige arrest, in het tijdvak na dat van de jaarlijkse vakantie slechts tot een beloning die is beperkt tot het basisloon van de werknemer. Deze negatieve financiële weerslag kan hem ervan weerhouden om die vakantie daadwerkelijk te nemen, hetgeen, zoals de advocaat-generaal in punt 34 van zijn conclusie heeft gepreciseerd, des te waarschijnlijker is in een situatie als die in het hoofdgeding, waarin de provisie gemiddeld meer dan 60% van de door de werknemer te ontvangen beloning bedraagt.
23. Een dergelijke verlaging van de beloning van een werknemer uit hoofde van zijn jaarlijkse vakantie met behoud van loon, die hem ervan kan weerhouden zijn recht op een dergelijke vakantie daadwerkelijk uit te oefenen, is in strijd met het doel van artikel 7 van richtlijn 2003/88 (zie in die zin met name arrest Williams e.a. , C-155/10, EU:C:2011:588, punt 21). In dit verband doet het feit dat een dergelijke verlaging, zoals in het hoofdgeding, pas wordt ondervonden na het tijdvak van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon, niet ter zake.”
4.19
Gelet hierop verklaart het HvJ voor recht dat art. 7 lid 1 Arbeidstijdenrichtlijn zich verzet tegen nationale voorschriften en praktijken op grond waarvan een werknemer wiens beloning bestaat uit een basisloon en een provisie, waarvan het bedrag wordt bepaald op basis van de overeenkomsten die door de werkgever worden gesloten naar aanleiding van door deze werknemer tot stand gebrachte verkopen, uit hoofde van zijn jaarlijkse vakantie met behoud van loon slechts recht heeft op een beloning die uitsluitend bestaat uit zijn basisloon. Kortom, het uitgestelde financiële nadeel dat de werknemer lijdt doordat hij vakantie opneemt is relevant. Dat tijdens de vakantiedagen het loon wordt doorbetaald, is dat niet.
4.20
Het opnemen van de jaarlijkse vakantie mag dus niet tot een financiële achteruitgang van de werknemer leiden, ongeacht of dat nadeel zich voordoet direct tijdens de vakantie of op een later moment. Of de individuele werknemer zich ook daadwerkelijk heeft laten weerhouden van het volledig opnemen van de jaarlijkse vakantie is niet beslissend: prikkels om afstand te doen van vakantierust zijn als zodanig onverenigbaar met de doelstellingen van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon.26.Een regeling die tot zulke prikkels leidt, is daarom in strijd met art. 7 lid 1 Arbeidstijdenrichtlijn.
4.21
Gelet op het voorgaande meen ik dat het juridisch kader door het HvJ voldoende is opgehelderd om op de in onderdeel 1 aangevoerde klachten te kunnen beslissen. Voor zover uw Raad toch van oordeel zou zijn dat er redelijke twijfel over kan bestaan of het HvJ de deur voor een all-in loon inderdaad heeft dichtgegooid, valt duidelijkheid daarover enkel te verkrijgen door het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ. Ik acht het onaannemelijk dat het HvJ zijn algemene oordeel uit het Robinson-Steele-arrest zou nuanceren tot een context-afhankelijke maatstaf, waarbij bijvoorbeeld zou moeten worden vastgesteld of een bepaalde werknemer in een concrete situatie zich door de all-in beloningssystematiek zich ervan kan laten weerhouden vakantiedagen op te nemen.
4.22
Tot slot van dit overzicht sta ik kort stil bij feitenrechtspraak over all-in beloningen. In een aantal gevallen is een all-in loon aanvaard, waarbij soms bij wijze van vooropstelling wordt overwogen dat het overeenkomen van een all-in loon “in beginsel is toegestaan”.27.
4.23
In een kort geding uitspraak uit 2009 (dus al wat ouder, maar wel na Robinson-Steele) wees het gerechtshof Amsterdam28.vorderingen af die vakbonden tegen Albert Heijn hadden ingesteld nadat met ingang van januari 2009 een all-in uurloon was ingevoerd voor ruim 53.000 parttime werknemers met een arbeidsovereenkomst van minder dan 12 uur per week. Genoemd hof overweegt dat het niet inziet dat het HvJ met de mogelijkheid tot verrekening ten aanzien van in het verleden reeds uitgekeerde loon zou hebben willen afdoen aan zijn daaraan voorafgaande oordeel dat art. 7 Arbeidstijdenrichtlijn zich ertegen verzet dat de betaling van het vakantieloon verspreid over het jaar tegelijk met het loon voor verrichte arbeid wordt uitgekeerd (rov. 3.6). Dat vervolgens toch geen voorziening in kort geding werd getroffen kwam omdat de beloningen in kwestie te gering waren om invloed uit te oefenen op de mogelijkheid vakantie genieten (rov. 3.7) en omdat de vakbonden onvoldoende duidelijk hadden gemaakt welke concrete spoedeisende belangen vergden dat de loonwaarde vakantiedagen uit het all-in uurloon werd verwijderd (rov. 3.9). Aan die beslissing lagen dus omstandigheden van het geval ten grondslag.
4.24
Niettemin is zowel in de feitenrechtspraak als in de literatuur in algemene zin het standpunt ingenomen dat een all-in beloning onder (strikte) voorwaarden kan worden toegestaan.29.Ook is betoogd dat uit het antwoord van het HvJ op de tweede prejudiciële vraag in Robinson-Steele (zie hiervoor, 4.15) zou volgen dat het mogelijk moet zijn om het vakantieloon op te nemen in een periodiek all-in salaris, namelijk als duidelijk is welk gedeelte van het all-in salaris als vakantieloon wordt uitbetaald.30.Ik vraag mij af of dat juist is. Het HvJ merkt in Robinson-Steele zo’n beloningswijze aan als strijdig metart. 7 Arbeidstijdenrichtlijn, ondanks het feit dat het voor de werknemer duidelijk was welk gedeelte van het all-in loon als loon over vakantiedagen was uitbetaald, namelijk 8,33% (zie hiervoor, 4.12). De aanvaarde mogelijkheid tot verrekening (zie hiervoor, 4.15) doet daar mijns inziens niet aan af.31.
4.25
Recapitulerend lijkt het mij dus onjuist om uit het arrest Robinson-Steele af te willen leiden dat een all-in loon onder voorwaarden zou zijn toegestaan. Feit is echter dat dergelijke constructies in de praktijk wel worden toegepast en dat sommige feitenrechters dit ook rechtsgeldig achten indien de salarisspecificaties duidelijk maken welk gedeelte van het uitbetaalde loon ziet op de opgebouwde vakantieaanspraken. Daarbij gaat het meestal om kleine deeltijd- en oproepcontracten. In de onderhavige zaak gaat het mijns inziens niet om kleine deeltijdcontracten en ook niet om geringe bedragen.
Bespreking van de klachten
4.26
Als gezegd oordeelt het hof in het bestreden arrest dat de overeengekomen bepaling dat uitbetaling van vakantiedagen is begrepen in het all-in salaris, nietig is. Het hof overweegt:
“(ii) rechtsgeldigheid all-in loon
(…)
- vakantiedagen
3.16.
Wat betreft de vakantiedagen komt het hof tot een ander oordeel. De artikelen 7:639 en 7:640 BW regelen de aanspraken van een werknemer op vakantie met behoud van loon. Dit is dwingend recht dat moet worden uitgelegd volgens de Europese Richtlijn 2003/88/EG. Het Europese Hof van Justitie heeft bij herhaling beslist dat uit het recht op doorbetaling van loon van artikel 7 van de Richtlijn voor de werkgever de verplichting voortvloeit om de werknemer in staat te stellen vakantie daadwerkelijk op te nemen32.. Uitgangspunt is daarom dat, gelet op het belang van de recuperatiefunctie van vakantie, het in beginsel niet mogelijk is om loon gedurende vakantiedagen in een all-in salaris op te nemen. Dat is in het genoemde arrest Robinson/Steele ook met zoveel woorden beslist. Volgens die uitspraak verzet artikel 7 van de Richtlijn zich er niet tegen dat àls (in strijd met dit uitgangspunt) bovenop het reguliere loon toch betalingen worden gedaan als uitbetaling van vakantiedagen, deze betalingen worden verrekend met het loon voor een bepaalde vakantieperiode. Dat kan alleen als dat op (door de werkgever te bewijzen) transparante en begrijpelijke wijze gebeurt. Daarvan is in deze zaak geen sprake. Weliswaar staat in artikel 5 van de arbeidsovereenkomsten een aantal vakantiedagen genoemd, maar dat is ook alles. In de arbeidsovereenkomsten staat niet hoe die vakantiedagen zich verhouden tot het salaris van artikel 4. Op geen enkele manier wordt uit de arbeidsovereenkomsten, uit de loonstroken of uit de jaarlijkse afrekeningen duidelijk welk deel van het loon is bedoeld als (reservering voor) uitbetaling van de vakantiedagen. Daardoor was dat voor de fysiotherapeuten niet transparant. Omdat zij meer salaris verdienden als zij werkten en niet helder was welk deel van het loon gereserveerd was voor vakantie, werden zij in feite gestimuleerd om geen vakantie op te nemen. Dat is niet toegestaan.
3.17.
De fysiotherapeuten stellen dat zij wel vakantie hebben opgenomen, maar dat zij daaraan voorafgaand veel extra uren maakten, omdat zij die vakantie moesten verdienen en dat het rond de vakantie altijd spannend was welk loon je overhield. Ook stellen zij dat de maatschap geen verlofregistratie bijhield. Dat laatste betwist de maatschap weliswaar, maar een verlofadministratie is niet overgelegd en ook niet voorhanden, zo is tijdens de mondelinge behandeling bij het hof gebleken. Het hof gaat aan die betwisting dus voorbij.
3.18.
Het voorgaande betekent dat de afspraak dat de uitbetaling van vakantiedagen is begrepen in het all-in salaris nietig is. De fysiotherapeuten hebben wel vakantie opgenomen, maar geen loon daarover ontvangen. De maatschap beroept zich subsidiair op verrekening van de vorderingen met de door de maatschap betaalde bedragen ter zake van vakantie. Dat beroep gaat op grond van wat hiervoor is overwogen niet op: vanwege het ontbreken van transparantie en begrijpelijkheid is verrekening nu juist niet toegestaan. Bovendien heeft de maatschap niet voldaan aan haar stelplicht en ontbreekt een verlofadministratie.
3.19.
Op het subsidiaire verweer van de maatschap dat de gevorderde bedragen niet juist zijn gaat het hof aan het eind van dit arrest in.
conclusie vakantietoeslag en vakantiedagen
3.20.
Het hof komt dus tot het oordeel dat de vorderingen van de fysiotherapeuten ten aanzien van de vakantietoeslag worden afgewezen en dat die ten aanzien van de nabetaling van vakantiedagen worden toegewezen zoals hierna te vermelden.”
4.27
De klachten van subonderdeel I.1 komen erop neer33.dat het arrest Robinson-Steele in het onderhavige geval toepassing mist en dat hier geen sprake is van strijd met art. 7 Arbeidstijdenrichtlijn.
4.28
De klachten falen. Partijen hebben bedoeld een salaris inclusief loon over vakantiedagen overeen te komen (zie hiervoor, 4.3). Zoals het hof terecht oordeelt, is die afspraak in strijd met art. 7 Arbeidstijdenrichtlijn. Het opnemen van de jaarlijkse vakantie door de fysiotherapeuten leidt immers tot een financiële achteruitgang omdat zij op jaarbasis een lager salaris ontvangen dan als zij geen dan wel minder vakantie opnemen.34.
4.29
Dit laatste probeer ik te illustreren aan de hand van het volgende fictieve voorbeeld.
Stel een parttime werkende fysiotherapeut realiseert een gemiddelde omzet van € 4000,- per maand. Hij is in een jaar vier weken achter elkaar met vakantie en werkt 1 maand dus niet. Zijn jaaromzet is daarom (11 x €4000,-) = €44.000,- per jaar. De jaarlijkse bruto loonsom is gesteld op 60% van die omzet en bedraagt daarom (60% van €44.000) = €26.400. Iedere maand ontvangt hij hetzelfde brutosalaris, ook in de maand dat hij met vakantie is. Het maandsalaris bedraagt (1/12 x 26.400) = €2.200 per maand. Dat betekent echter dat hij feitelijk over 11 maanden wordt betaald. Indien hij ook betaald wordt over de maand dat hij met vakantie is, zou hij op jaarbasis € 2.200 meer verdienen: (€26.400 + € 2.200) = € 28.600. Per maand komt dat uit op een brutosalaris van (€28.600 : 12) = €2.383,33 in plaats van €2.200.
4.30
Een enigszins vergelijkbaar voorbeeld wordt gegeven in de schriftelijke toelichting van de maatschap (onder 2.4). Daar wordt benadrukt dat het overeengekomen periodesalaris een voorschot is waarvan de hoogte is gebaseerd op het verdiende variabele loon in het voorafgaande jaar, en dat een fysiotherapeut die met vakantie is en dus geen omzet realiseert toch dat overeengekomen maandsalaris krijgt betaald. Dat is juist, maar het gaat erom dat aan de werknemer niet kan worden tegengeworpen dat hij tijdens zijn vakantie geen omzet realiseert omdat hij over de vakantiedagen aanspraak kan maken op een bedrag aan loon alsof hij die maand wel heeft gewerkt. Wanneer hem dat worden onthouden, ontstaat er een prikkel om door te werken en dus geen of minder vakantie op te nemen. En dat is nu juist ontoelaatbaar, zo volgt uit het arrest Robinson-Steele.35.
4.31
Gelet op hetgeen het subonderdeel aanvoert, merk ik nog op dat aan de juistheid en aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof niet afdoet dat in deze zaak de feitelijke situatie afwijkt van het geval dat voorlag in de Robinson-Steele-uitspraak en dat in de onderhavige situatie geen loon voor vakantiedagen wordt vooruitbetaald. De klacht dat het hof heeft miskend dat de transparantie-eis bij verrekening in dit geval niet zou gelden, faalt reeds omdat zij blijkens de klacht voortbouwt op de veronderstelling dat geen sprake zou zijn van strijdigheid met de Arbeidstijdenrichtlijn, welke veronderstelling onjuist is.
4.32
Subonderdeel I.2 klaagt dat, anders dan het hof kennelijk van oordeel is in rov. 3.16-3.20, “daaraan” niet afdoet dat partijen een variabel loon inclusief vakantietoeslag en loon over vakantiedagen zijn overeengekomen (bovenop het garantieloon). Dat ziet immers slechts op de hoogte van het overeengekomen loon en niet op de vraag of er tijdens het opnemen van vakantiedagen überhaupt loon wordt doorbetaald. De maatschap klaagt dat het hof dit hetzij heeft miskend hetzij geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang, dan wel een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven.
4.33
De klacht faalt. Niet beslissend is of tijdens het opnemen van vakantie (een zeker gedeelte van het) loon wordt doorbetaald (zie het zojuist gegeven fictieve voorbeeld). De klacht gaat eraan voorbij dat het opnemen van de jaarlijkse vakantie door de fysiotherapeuten voor hen tot een financiële achteruitgang leidt, aangezien zij – in een later tijdvak – een lager salaris ontvangen dan als zij geen of minder vakantie opnemen. Dat gedurende de door de fysiotherapeuten opgenomen vakantie loon is doorbetaald, laat onverlet de juistheid van het oordeel van het hof dat de afspraak nietig is wegens strijdigheid met art. 7 lid 1 Arbeidstijdenrichtlijn.
4.34
Subonderdeel I.3 klaagt dat het hof in rov. 3.17 miskent dat niet van belang is dat en of de fysiotherapeuten voorafgaand aan een vakantie meer uren hebben gemaakt, nu dat niets afdoet aan de doorbetaling van het overeengekomen loon tijdens hun vakantie. Dat geldt mutatis mutandis voor het daar door het hof eveneens genoemde punt van het al dan niet bijhouden van een verlofregistratie. In casu vorderen de fysiotherapeuten geen niet-genoten vakantiedagen. Voor een vordering ter zake van uitbetaling van niet-genoten vakantiedagen is een verlofadministratie van belang. Dat is echter niet het geval in onderhavige situatie waar het gaat om de vraag of het loon tijdens de door hen opgenomen vakantiedagen is doorbetaald, aldus het subonderdeel.
4.35
Ook deze klachten gaan mijns inziens niet op. Rov. 3.17 is niet dragend voor de beslissing dat sprake is van een afspraak die strijdig is met de Arbeidstijdenrichtlijn. De overweging van het hof dat de fysiotherapeuten stellen dat zij voorafgaand aan een vakantie meer uren hebben gemaakt, lijkt overigens een illustratie van het financiële nadeel dat zij ondervonden bij het opnemen van de jaarlijkse vakantie.
4.36
Subonderdeel I.4 bevat louter een voortbouwklacht. Deze klacht faalt in het voetspoor van de voorafgaande subonderdelen.
Onderdeel II - Het beroep op de klachtplicht
4.37
Onderdeel II, dat in de schriftelijke toelichting uitvoerig wordt toegelicht, keert zich in vier subonderdelen tegen rov. 3.7 van het bestreden arrest. Het hof overweegt daar:
“3.7. Het hof stelt verder voorop dat de kantonrechter in het tussenvonnis van 27 februari 2019 het beroep van de maatschap op schending van de klachtplicht heeft verworpen. Dat oordeel is in hoger beroep niet betwist, zodat ook het hof er bij de verdere beoordeling van uitgaat dat de (door de fysiotherapeuten betwiste) stelling van de maatschap dat de fysiotherapeuten lange tijd geen bezwaar hebben gemaakt niet aan toewijzing van de vorderingen in de weg staat.”
4.38
Subonderdeel II.1 klaagt dat het hof de devolutieve werking van het hoger beroep heeft miskend ten aanzien van het beroep van de maatschap op de klachtplicht van art. 6:89 BW dat zij in eerste aanleg heeft gedaan. De rechtbank heeft dit beroep bij tussenvonnis d.d. 27 februari 2019 in rov. 4.3 verworpen. Nu bij eindvonnis van 26 mei 2021 de vorderingen van de fysiotherapeuten grotendeels zijn afgewezen en zij hoger beroep hebben ingesteld, bracht de devolutieve werking van het hoger beroep mee dat het hof ook in eerste aanleg afgewezen verweren opnieuw diende te beoordelen omdat de grieven ten aanzien van de vakantiedagen slagen (rov. 3.16 t/m 3.20). Gesteld noch gebleken is dat de maatschap dit verweer in hoger beroep heeft prijsgegeven. Daartoe is niet voldoende dat, zoals het hof overweegt, “dat oordeel [van de kantonrechter] is in hoger beroep niet betwist”. Uitsluitend indien een verweer in hoger beroep met zoveel woorden zou zijn prijsgegeven kon en mocht het hof daaraan voorbijgaan. Het hof heeft dit alles hetzij miskend, hetzij heeft het zijn oordeel niet toereikend gemotiveerd, althans is het oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk.
4.39
Subonderdeel II.2 klaagt dat het hof in rov. 3.7 ook overigens uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het in eerste aanleg gegeven oordeel “in hoger beroep niet [is] betwist”. Immers, de maatschap is in eerste aanleg grotendeels in het gelijk gesteld en was in hoger beroep – behoudens voor het hier niet aan de orde zijnde incidentele appel – verweerster en kon en mocht erop vertrouwen dat haar verweer uit de eerste aanleg, bij de behandeling van de grieven van de fysiotherapeuten zouden worden meegenomen. Een aparte klacht of zelfs incidentele grief daaromtrent was dus, anders dan het hof kennelijk meent, niet noodzakelijk. Het hof heeft dit hetzij miskend, hetzij heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven, zo klaagt het tweede subonderdeel.
4.40
Subonderdeel II.3 wordt opgeworpen indien en voor zover het hof heeft geoordeeld dat art. 6:89 BW niet van toepassing zou zijn op een arbeidsovereenkomst en/of het met de rechtbank van oordeel zou zijn dat in arbeidsverhoudingen de klachtplicht terughoudend moet worden toegepast. In dat geval gaat het hof uit van een onjuiste rechtsopvatting. Naar de aard dient ook een werknemer die maandelijks een loonstrookje krijgt binnen bekwame tijd te controleren of de werkgever zijn kant van de (duur)overeenkomst naar behoren is nagekomen. Dat geldt zeker waar het, zoals in onderhavige zaak, een kleine werkgever betreft en het vele jaren laten oplopen van een beweerdelijke achterstand tot onaanvaardbare risico’s en claims achteraf leidt. Gelet op het bepaalde in art. 7:611 BW (goed werknemerschap) mag van de werknemer worden verwacht dat die zijn loonstrook controleert en indien daar naar zijn mening iets aan schort daarover binnen bekwame tijd klaagt. Het hof heeft dit hetzij miskend, hetzij heeft het zijn uitspraak niet toereikend gemotiveerd, aldus dit derde subonderdeel.
4.41
Subonderdeel II.4 bevat een voortbouwklacht, gericht tegen rov. 3.21-3.38, rov. 3.41 en het dictum.
4.42
De klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
4.43
Het middel neemt terecht tot uitgangspunt dat de klachtplicht ook van toepassing kan zijn op loonvorderingen. Nog recent heeft de Hoge Raad immers geoordeeld dat art. 6:89 BW in beginsel van toepassing is op alle verbintenissen, waaronder die uit hoofde van een arbeidsovereenkomst en die tot betaling van een geldsom.36.
4.44
Art. 6:89 BW ziet echter slechts op gevallen van ondeugdelijke nakoming en niet (mede) op gevallen waarin in het geheel geen prestatie is verricht.37.Van dit laatste is een arbeidsrechtelijk voorbeeld de overtreding van een non-concurrentiebeding door een werknemer: dat betreft een verbintenis om in het beding omschreven handelen na te laten en bij schending daarvan is sprake van niet presteren, waarop de in art. 6:89 BW vervatte klachtplicht dus niet van toepassing is.38.Ondeugdelijke nakoming van een verbintenis was aan de orde in de zaken waarin de Hoge Raad in september 2024 uitspraak heeft gedaan. De werknemers hadden betaling gevorderd van gewerkte maar niet betaalde overuren en het hof oordeelde dat de werkgever ten aanzien van de verplichting tot vergoeding van overuren (ten minste) gedeeltelijk had gepresteerd. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, aldus de Hoge Raad.39.Beroept de werkgever zich op schending van de klachtplicht, dan zal dus ook bij loonvorderingen moeten worden beoordeeld of in het concrete geval sprake is van gedeeltelijk (maar ondeugdelijk) presteren, of van in het geheel niet presteren door de werkgever. De uitkomst hangt af van de omstandigheden van het geval.40.
4.45
In deze zaak voeren de fysiotherapeuten aan dat de maatschap geen belang heeft bij onderdeel II van het principaal cassatiemiddel.41.Volgens hen is geen andere uitkomst denkbaar dan dat de klachtplicht in dit geval niet van toepassing is, omdat de vakantiedagen in het geheel niet zijn uitbetaald.42.Volgens de fysiotherapeuten gaat het hier dus om een geval van in het geheel niet presteren door de werkgever.
4.46
Dit verweer treft doel. Het hof heeft geoordeeld dat de fysiotherapeuten wel vakantie hebben opgenomen, maar daarover geen loon hebben ontvangen (rov. 3.18). Tegen deze achtergrond kan na verwijzing niet anders worden geoordeeld dan dat de maatschap in het geheel niet heeft gepresteerd wat betreft de verbintenis die voortvloeit uit art. 7:639 lid 1 BW. Deze verbintenis heeft een zelfstandig karakter ten opzichte van de (algemene) verbintenis uit hoofde van een arbeidsovereenkomst om de werknemer loon te betalen (art. 7:610 lid 1 BW). In het onderhavige geval is de klachtplicht uit art. 6:89 BW dus niet van toepassing. Dat betekent dat de maatschap geen belang heeft bij de door het onderdeel beoogde beoordeling na verwijzing of de fysiotherapeuten aan hun klachtplicht hebben voldaan.
Onderdeel III - Het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid
4.47
Onderdeel III betreft een motiveringsklacht tegen rov. 3.38. Daar verwerpt het hof het beroep van de maatschap op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.
4.48
Het hof overweegt:
“3.38. De maatschap heeft zich er nog op beroepen dat toewijzing van de vorderingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Zij stelt dat toewijzing van de vordering tot een absurde beloning leidt en dat dat zou leiden tot staking van de onderneming. Zij spitst dit beroep kennelijk toe op toewijzing van de volledige vorderingen van de fysiotherapeuten. Daarvan is echter geen sprake. De vorderingen vloeien voort uit de arbeidsovereenkomsten en worden slechts voor een deel toegewezen, en de maatschap heeft niet onderbouwd dat dit tot het einde van haar onderneming leidt en evenmin uitgelegd waarom dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. (…)”
4.49
De maatschap klaagt over de onbegrijpelijkheid, althans ontoereikende motivering van het oordeel van het hof. Hiertoe constateert de maatschap dat het hof haar beroep kennelijk afwijst om de reden dat de vorderingen – ook in hoger beroep – niet integraal worden toegewezen. De maatschap heeft haar beroep daartoe echter niet beperkt, zo stelt zij aan de orde onder verwijzing naar haar memorie van antwoord (met verwijzing naar een antwoordakte in eerste aanleg).
4.50
Blijkens rov. 3.38 heeft het hof de stellingen van de maatschap ten aanzien van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid zó opgevat dat de maatschap dit beroep toespitst op toewijzing van de volledige vorderingen van de fysiotherapeuten. Dat is ook hoe de maatschap het arrest begrijpt, maar anders dan de maatschap acht ik die uitleg van de processtukken niet onbegrijpelijk. Dit laat zich als volgt toelichten.
4.51
Nadat de maatschap in haar memorie van antwoord uiteengezet had dat volgens haar de grieven van de fysiotherapeuten niet konden slagen,43.merkte zij onder het opschrift ‘Beroep op redelijkheid en billijkheid’ het volgende op:
“54. [de maatschap] doet subsidiair een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid. Ter zake verwijst zij naar hetgeen in eerste aanleg naar voren is gebracht, met name in de antwoordakte van 11 september 2019 (“Akte na akte d.d. 26 juni 2019”) onder de randnummers 8 tot en met 10. Toewijzing van – een gedeelte van – de vorderingen zou onherroepelijk leiden tot de staking van de onderneming en mogelijk zelfs tot het faillissement van de onderneming, met alle gevolgen voor de huidige medewerkers en ook voor de maten van de maatschap.”
4.52
Weliswaar schrijft de maatschap hier dat toewijzing van – een gedeelte van – de vorderingen onherroepelijk zou leiden tot de staking van de onderneming en mogelijk zelfs tot faillissement, maar met het hof meen ik dat die stelling wel degelijk is toegespitst op toewijzing van de volledige vorderingen van de fysiotherapeuten.
4.53
Ik verwijs naar de onderbouwing van de stelling van de maatschap. Die onderbouwing is te vinden in genoemde antwoordakte. Het gedeelte waar de maatschap naar verwijst in haar memorie van antwoord (en in cassatie) luidt als volgt:
“Stellingen eisers leiden tot een absurde beloning
8. Ten overvloede hecht [de maatschap] eraan op te merken dat de combinatie van stellingen van eisers leidt tot een absurde wijze van beloning dat nooit het oogmerk van [de maatschap] had kunnen zijn en eisers dit ook niet op deze wijze had kunnen begrijpen.
9. Eisers stellen dat het overeengekomen percentage direct zou leiden tot het normale brutoloon, waar dan ook nog vakantiegeld en loon tijdens vakantie over zouden moeten worden betaald. Nu hebben eisers niet langer vakantiegeld en loon tijdens vakantie bij hun berekeningen betrokken, maar rekenen ze nog steeds werkgeverslasten niet mee, ondanks dat reeds bij het tussenvonnis van 27 februari 2019 is besloten dat deze werkgeverslasten wel afgetrokken dienen te worden. De werkgeverslasten zouden dus niet meegerekend worden, waardoor [de maatschap] daar nog 19-23% bovenop aan werkgeverslasten zou hebben. Praktisch zou dit betekenen dat dat rond de 75% van de door eisers gerealiseerde omzet op zou gaan aan de loonkosten van eisers. [de maatschap] houdt dan vervolgens 25% over van de gerealiseerde omzet om te voorzien in de kosten van onderneming, zoals huisvesting, inventaris, onderhoud, bestuur, boekhouderskosten, communicatiekosten, energiekosten, etc. Ook zou dan met die 25% moeten worden voorzien in het opbouwen van reserves voor risico’s en in het ondernemersinkomen. Het moge duidelijk zijn dat dit uiteraard in het geheel niet mogelijk is. Als dit in rechte zou worden aangenomen dan zal een dergelijk absurd beloningssysteem leiden tot één conclusie, namelijk directe staking van de onderneming en een mogelijk déconfiture.
10. Daarnaast komen de berekeningen van eisers vaak uit op een absurd salaris dat op geen enkele manier in verhouding staat tot een werknemer met de hbo-opleiding fysiotherapie. Zo stelt [verweerder 1] bijvoorbeeld dat hij bij een gemiddeld 24-urige werkweek in 2016 recht zou hebben gehad op een jaarsalaris van € 51.123,17, hetgeen op full time basis uitkomt op een jaarsalaris van € 85.205 (€ 51.123,17 / 24 x 40 = € 85.205,28). Ook met enige fantasie kan in redelijkheid nooit uitgekomen worden op een salaris voor een werknemer met de ervaring en opleiding van eisers die werkzaam zijn in een onderneming van bescheiden omvang. Ter illustratie is een print van de website van “De startende fysiotherapeut” als productie 34 bijgevoegd, waaruit blijkt dat fysiotherapeuten helemaal niet in de buurt komen van een gepretendeerd full time jaarsalaris van € 85.205,28. Ook hieruit blijkt dat de stellingen van eisers niet juist kunnen zijn.”
4.54
Uit dit citaat volgt genoegzaam dat de maatschap, in weerwil van het genoemde tussenzinnetje ‘– een gedeelte van –‘, het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid heeft toegespitst op integrale toewijzing van de vorderingen van de fysiotherapeuten (waarbij het verschuiven de werkgeverslasten grote financiële gevolgen zou hebben).44.Dat is ook hoe het hof de stellingen heeft mogen uitleggen.
4.55
De maatschap wijst er tot slot nog op dat het oordeel van het hof temeer klemt daar het bedrag dat is toegewezen ook al snel op €66.000,- uitkomt, nog te vermeerderen met de wettelijke rente over meerdere jaren.
4.56
Dat dit voor de maatschap veel geld is mag zo zijn. Dit laat onverlet dat het hof zich er toe kon beperken enkel de op dit punt aangevoerde stellingen van de maatschap te beoordelen.
4.57
Onderdeel III slaagt dus niet.
Onderdeel IV - Het beroep op matiging van de wettelijke rente
4.58
In onderdeel IV voert de maatschap aan dat het hof haar beroep op matiging van de wettelijke rente onbesproken heeft gelaten en de wettelijke rente zonder nadere motivering heeft toegewezen. Geklaagd wordt dat het hof hetzij de devolutieve werking van het hoger beroep miskent, hetzij geen inzicht geeft in zijn gedachtegang zodat het oordeel niet toereikend is gemotiveerd.
4.59
De maatschap heeft in eerste aanleg bij conclusie van antwoord onder het opschrift ‘Wettelijke verhoging en wettelijke rente’ een beroep gedaan op matiging van zowel de wettelijke verhoging van art. 7:625 BW en de wettelijke rente, voor het geval de rechter tot toewijzing van enige loonvordering van de fysiotherapeuten mocht komen.45.Daaraan legt de maatschap onder meer ten grondslag dat zij altijd te goeder trouw heeft gehandeld bij de berekening van het loon van de fysiotherapeuten.
4.60
Het hof matigt de wettelijke verhoging van 50% uit art. 7:625 BW tot nihil, maar wijst de wettelijke rente toe zonder die te matigen vanaf het einde van het dienstverband van de fysiotherapeuten (1 januari 2015, respectievelijk 1 mei 2018 en 1 juni 2018). Hiertoe overweegt het hof het volgende:
“3.40 Het hof stelt de wettelijke verhoging op nihil, omdat niet gebleken is dat de maatschap willens en wetens niet heeft betaald en omdat het hof een cumulatie van de wettelijke verhoging en de wettelijke rente in dit geval onredelijk voorkomt. De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf het einde van het dienstverband. (…)”
4.61
Hieruit blijkt dat het hof de beide matigingsberoepen in onderling verband beschouwt, zoals de maatschap ze ook naar voren heeft gebracht. Het hof oordeelt dat in dit geval cumulatie van wettelijke verhoging en wettelijke rente onredelijk voorkomt. Uit het bestreden arrest blijkt niet van miskenning van de devolutieve werking in de zin dat het hof geen acht zou hebben geslagen op het matigingsberoep van de maatschap ter zake van de wettelijke rente. Daarom faalt de rechtsklacht bij gebrek aan feitelijke grondslag.
4.62
De motiveringsklacht slaagt evenmin: het hof geeft inzicht in zijn gedachtegang en het middel voert geen omstandigheden aan waarom de motivering ontoereikend zou zijn.
4.63
Onderdeel IV faalt.
Onderdeel V - Voortbouwklacht
4.64
Onderdeel V bevat een voorbouwklacht. Deze deelt in het lot van de onderdelen I-IV.
4.65
Nu alle klachten falen dient het principaal beroep van de maatschap te worden verworpen.
5. Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel van de fysiotherapeuten
5.1
De klachten in het incidenteel beroep hebben betrekking op de volgende onderwerpen:
1. de (on)verenigbaarheid van de overeengekomen beloning met art. 20 Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv);
2. de uitleg van de processtukken op het punt van de berekening van het loon; en
3. de berekening van de hoogte van het loon over vakantiedagen
Onderdeel 1 - Strijd met het verhaalsverbod uit art. 20 Wfsv?
5.2
De fysiotherapeuten keren zich met een rechtsklacht tegen het oordeel van het hof dat het overeengekomen all-in loon niet in strijd is met het verhaalsverbod uit art. 20 Wfsv (rov. 3.27). Zij achten dit oordeel onjuist omdat een all-in loon ertoe leidt dat de werkgeverslasten (in feite) voor rekening en risico van de werknemer worden gebracht.
5.3
Werkgevers zijn premieplichtig voor de werknemersverzekeringen.46.Hoofdstuk 3 van de Wfsv ziet op de financiering van die verzekeringen.47.In de inleidende bepalingen van dat hoofdstuk is art. 20 opgenomen, dat als volgt luidt:
“Verbod verhaal op werknemer.
De werkgever mag de door hem verschuldigde premie niet verhalen op de werknemer. Elk beding waarbij van de eerste zin wordt afgeweken, is nietig.”
5.4
Een verhaalsverbod bestaat niet voor loonbelasting en de premies volksverzekeringen, zoals de AOW. Die mag de werkgever in principe op de werknemer verhalen.48.
5.5
Tot 2013 betaalden werknemers een deel van de premies werknemersverzekeringen. Toen bepaalde art. 20 Wfsv dat de werkgever het door de werknemer verschuldigde deel van de premie op het loon van de werknemer mocht inhouden. Voor zover dat niet op het loon was ingehouden, mocht de werkgever dit echter niet alsnog verhalen op de werknemer. Dat laatste strookte met een van de voorlopers van art. 20 Wfsv, te weten art. 83 WW (oud), waarvan het tweede lid als volgt luidde:49.
“2. Indien de verschuldigde premie na de loonbetaling met terugwerkende kracht wordt verhoogd, of indien een voorschotpremie wordt gevorderd, mag bij de definitieve vaststelling van de kosten niets van een eventueel door de werkgever bij te betalen of bijbetaald bedrag op de werknemer worden verhaald.”
5.6
Dit was reeds zo vanaf het eerste begin van de werknemersverzekeringen.50.Het risico van het met terugwerkende kracht verhogen van de werknemerspremie of van het ten onrechte niet in aanmerking nemen van loon (bijvoorbeeld omdat eerder ten onrechte een vrijstelling is toegepast), lag bij de werkgever. Eveneens – en dat is een actuele kwestie gelet op de discussies over schijnzelfstandigheid en de beëindiging van het fiscale ‘handhavingsmoratorium’ rondom arbeidsrelaties per 1 januari 2025 – draagt de werkgever het risico van een onjuiste beoordeling van de verzekeringsplicht: ook dan komen achterstallige premies geheel voor rekening van de werkgever.51.
5.7
De ratio om de werknemer niet te belasten met de verplichting alsnog premies af te dragen geldt nog steeds.52.Art. 20 Wfsv heeft daarmee tot doel de werknemer te beschermen tegen onvoorziene financiële risico’s die verband houden met de premies voor de werknemersverzekeringen.53.
5.8
Tegen deze achtergrond keer ik terug naar onderdeel 1. De fysiotherapeuten bestrijden met een rechtsklacht het oordeel van het hof dat in dit geval geen sprake is van schending van art. 20 Wfsv en dit gedeelte van hun vordering daarom dient te worden afgewezen. Het hof overweegt:
“(iv) werkgeverslasten
3.26.
Volgens de fysiotherapeuten zijn de werkgeverslasten door de maatschap op hen verhaald en is dat in strijd met de artikelen 20 en 125 lid 2 Wet financiering sociale verzekeringen (Wfs[v]). De maatschap bestrijdt dat.
3.27.
Hiervoor heeft het hof geoordeeld dat een all-in loon is overeengekomen. Dat is op het punt van uitbetaling vakantiedagen niet toelaatbaar, maar voor de rest wel. Afgesproken is dat ‘de totale loonkosten voor de werkgever’ 60,9% respectievelijk 61,9% van de omzet bedragen. Onder de loonkosten vallen ook de werkgeverslasten. Op grond van artikel 4.1 van de arbeidsovereenkomsten is het bruto variabel loon (inclusief vakantietoeslag) daarom het desbetreffende percentage van de omzet, te verminderen met de werkgeverslasten. Dat is het overeengekomen bruto loon en komt niet in strijd met artikel 20 Wfsv, waarvan het doel is om werknemers te beschermen tegen onvoorziene financiële risico’s. Het zal daarbij veelal gaan om verhaal achteraf. Daarvan is in dit geval geen sprake.
conclusie werkgeverslasten
3.28.
Het hof wijst ook dit deel van de vorderingen af.”
5.9
De klacht faalt omdat een situatie als bedoeld in art. 20 Wfsv zich hier niet voordoet.
5.10 ‘
‘Verhaal’ in de zin van art. 20 Wfsv dient breder te worden opgevat dan de enkele situatie waarin de werkgever de door hem verschuldigde premies inhoudt op het loon dat hij aan de werknemer uitbetaalt.54.Verboden verhaal is bijvoorbeeld ook aan de orde als partijen een vrijwaring overeenkomen die erop neerkomt dat de door de werkgever verschuldigde premies ten laste van de werknemer komen.55.Het verhaalsverbod reikt echter niet zo ver dat werkgever en werknemer bij het overeenkomen van het loon geen enkele rekening zouden mogen houden met het feit dat werkgevers premieplichtig zijn. De premies werknemersverzekeringen zijn nu eenmaal kosten die een werkgever in aanmerking neemt bij het bepalen onder welke voorwaarden hij bereid is een arbeidsovereenkomst te sluiten. Dit geldt zowel bij vaste beloningen als bij een variabele beloning, bijvoorbeeld bij het overeen te komen percentage van de omzet dat de werknemer bij wijze van brutoloon toekomt.56.
5.11
In deze zaak zijn partijen een omzetgerelateerde variabele beloning overeengekomen (met een bepaalde ondergrens, het garantiesalaris). Het hof heeft vastgesteld dat bij de berekening van het brutoloon in dit geval drie elementen relevant zijn:57.de daadwerkelijk door de betreffende fysiotherapeut gerealiseerde omzet,58.het met de fysiotherapeut overeengekomen percentage (60,9% dan wel 61,9%),59.en de op 19% van dat bedrag gefixeerde werkgeverslasten.60.Het brutoloon wordt dan als volgt berekend:61.overeengekomen percentage x de gerealiseerde omzet -/- het gefixeerde percentage werkgeverslasten.
5.12
In de omstandigheden van deze zaak, waarin een fluctuatie van de daadwerkelijke werkgeverslasten voor de werknemers geen nadelige invloed heeft op hun beloning,62.geeft het oordeel dat art. 20 Wfsv niet in de weg staat aan deze wijze van beloning geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Gelet op de ratio van die wetsbepaling kan de hier toegepaste berekeningswijze niet worden aangemerkt als ‘verhaal’.
5.13
De klacht, en daarmee onderdeel 1, slaagt daarom niet.
Onderdeel 2 - Uitleg van de processtukken bij de berekening van het loon
5.14
De fysiotherapeuten stellen de begrijpelijkheid aan de orde van de berekeningen die het hof heeft gemaakt ten aanzien van [verweerster 3] en [verweerster 2] .
5.15
In rov. 3.34 overweegt het hof dat, zoals in de daaraan voorafgaande overwegingen is beslist, het salaris moet worden gebaseerd op de daadwekelijk behaalde omzet, te verminderen met het gefixeerde percentage aan werkgeverslasten van 19%.
5.16
Het hof berekent dat [verweerder 1] over 2014 t/m 2018 in totaal € 3.993,49 te weinig salaris heeft ontvangen. Dit oordeel is in cassatie onbestreden.
5.17
Het hof overweegt het hof dat [verweerster 3] en [verweerster 2] niet hebben onderbouwd dat zij recht hebben op meer salaris dan zij hebben ontvangen. Daartegen richten zich de subonderdelen 2.1 ( [verweerster 3] ) en 2.2 [verweerster 2] ).
5.18
Subonderdeel 2.1 klaagt over de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat [verweerster 3] niet heeft onderbouwd dat zij over 2014 recht heeft op meer salaris dan zij heeft ontvangen. Blijkens het tweede staatje in rov. 3.34 oordeelt het hof dat [verweerster 3] vanwege de door haar gerealiseerde omzet recht had op € 20.924,37 bruto, maar het hof heeft nagelaten de door [verweerster 3] in 2014 ontvangen arbeidsongeschiktheidsuitkering kenbaar te verdisconteren. Dat is onbegrijpelijk, ook indien het hof zou hebben gemeend dat het hiermee geen rekening behoefde te houden, te meer nu de berekening van [verweerster 3] op dit punt niet door de maatschap is betwist, aldus het incidentele middel.
5.19
Het subonderdeel verwijst naar de volgende passage uit de memorie van grieven (nr. 6.6.4):
“Voor wat betreft 2014 heeft [verweerster 3] een werkelijke omzet gemaakt van € 42.417,9963., zodat haar brutoloon 60,9% daarvan, zijnde € 25.832,56 bedraagt. [verweerster 3] is in 2014 langere tijd arbeidsongeschikt geweest. Tussen [verweerster 3] en Werkgever is niet in geschil dat zij over de periode dat zij vanwege ziekte niet kon werken een uitkering van Interpolis van € 17.672,72 heeft ontvangen. Derhalve diende haar brutosalaris € 43.505,3464.te bedragen. Terwijl zij blijkens haar jaaropgaaf slechts een bedrag van € 32.839,- uitbetaald heeft gekregen. [verweerster 3] meent dan ook dat zij door toepassing van het praktijktarief is benadeeld, en nog een bedrag van € 10.666,43 aan achterstallig salaris over 2014 tegoed heeft.”
5.20
In het licht van deze stellingen is het oordeel van het hof dat [verweerster 3] niet heeft onderbouwd dat zij recht heeft om meer salaris dan zij heeft ontvangen, inderdaad onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Voor zover in het oordeel van het hof besloten ligt dat het geen rekening hoefde te houden met de arbeidsongeschiktheidsuitkering over een periode waarin [verweerster 3] geen omzet heeft gerealiseerd, vergde dat oordeel nadere toelichting om begrijpelijk te zijn.
5.21
Overigens wordt de ontoereikendheid van de motivering niet weggenomen door het betoog van de maatschap dat de uitkomst wel degelijk deugt, mede in het licht van verjaring en de wijze waarop de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering is berekend65.(wat er van die stellingen ook moge zijn). De vraag of [verweerster 3] over 2014 te weinig salaris heeft ontvangen, en zo ja hoeveel, zal opnieuw moeten worden beoordeeld.
5.22
Volgens het hof heeft ook [verweerster 2] niet onderbouwd dat zij recht heeft op meer salaris dan zij heeft ontvangen. Haar vordering was slechts gebaseerd op een gesteld tekort aan garantiesalaris, maar niet op de stelling dat zij op basis van haar werkelijke omzet recht had op een hoger salaris, aldus rov. 3.34.
5.23
Het subonderdeel klaagt over de begrijpelijkheid van dit oordeel. [verweerster 2] heeft in deze procedure een bedrag van €13.803,58 bruto aan achterstallig salaris gevorderd,66.welk bedrag in de nrs. 6.9.1-6.9.6 van de memorie van grieven is uitgewerkt. Daaruit blijkt dat het gevorderde bedrag uit twee componenten bestaat: (i) €5.964,42 bruto ter zake van garantieloon, en (ii) €7.839,16 bruto aan te weinig ontvangen variabel loon in 2015. Ter onderbouwing van dat laatste bedrag heeft [verweerster 2] aangevoerd dat zij in 2015 een werkelijke omzet heeft gemaakt van €41.722,76, zodat haar variabele loon 60,9% daarvan zou moeten bedragen (zijnde €25.409,16). Naast dat variabele loon had [verweerster 2] recht op €4.689 bruto aan loon vanwege fysiotraining. Derhalve had het brutoloon van [verweerster 2] in 2015 in totaal (€25.409,16 + €4.689 = ) €30.098,16 moeten bedragen, terwijl zij blijkens de jaaropgave slechts €22.259 bruto uitbetaald heeft gekregen. Dat is €7.839,16 bruto te weinig. In het licht van dit betoog is de overweging van het hof onbegrijpelijk. Het hof heeft de met (ii) aangeduide component over het hoofd gezien en ten onrechte niet in de beoordeling betrokken, aldus subonderdeel 2.2.
5.24
Zoals het middel aanvoert, heeft [verweerster 2] onmiskenbaar méér aan haar vordering ten grondslag gelegd dan een tekort aan garantiesalaris. Nadat de memorie van grieven in de nrs. 6.9.1-6.9.4 ingaat op het garantiesalaris van [verweerster 2] , vervolgt nr. 6.9.5 met “daarnaast heeft [verweerster 2] in 2015 te weinig variabel loon gehad”, met uitwerking, waarna in nr. 6.9.6 wordt geconcludeerd:
“In totaal heeft [verweerster 2] over de periode januari 2014 tot juni 2018 recht op achterstallig garantie- én variabel loon ter hoogte van € 13.803,58 (€ 5.964,42 plus € 7.839,16).”
Tegen deze achtergrond is het oordeel van het hof, dat [verweerster 2] haar vordering slechts zou hebben gebaseerd op een gesteld tekort aan garantiesalaris en niet op de stelling dat zij op basis van haar werkelijke omzet recht had op een hoger salaris, zonder nadere toelichting onbegrijpelijk.67.Subonderdeel 2.2 is dus terecht voorgesteld.
5.25
Het voorgaande betekent dat onderdeel 2 slaagt.
Onderdeel 3 - Berekening van de hoogte van het vakantieloon
5.26
De fysiotherapeuten richten met dit onderdeel meerdere rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel inzake de berekening van de hoogte van het na te betalen vakantieloon (rov. 3.36). De klachten zijn voorwaardelijk, te weten voor het geval subonderdeel 1.1 van het incidentele cassatiemiddel slaagt met cassatie van het bestreden arrest tot gevolg.
5.27
Nu subonderdeel 1.1 niet slaagt, is die voorwaarde niet vervuld. De klachten van onderdeel 3 behoeven daarom geen bespreking.
5.28
De slotsom is dat het bestreden arrest moet worden vernietigd Het verwijzingshof kan opnieuw beoordelen of, en zo ja in hoeverre, [verweerster 3] over 2014 en [verweerster 2] over 2015 te weinig salaris hebben ontvangen.
6. Conclusie
De conclusie strekt in het principale cassatieberoep tot verwerping en in het incidentele cassatieberoep tot vernietiging en verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 24‑01‑2025
Ontleend aan het bestreden arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 november 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:9879, rov. 3.2-3.4, en aan het tussenvonnis van de kantonrechter Midden-Nederland, zp. Utrecht, van 27 februari 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:859, rov. 2.1-2.7, 2.10 en 2.11.
Stcrt. 2003/157. De algemeenverbindendverklaring van die cao liep al weer af op 31 december 2003.
Ktr. Utrecht 27 februari 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:859, JAR 2019/82, m.nt. M. Faber.
Ktr. Utrecht 31 december 2019, zaaknr. 7226157 AC EXPL 18-3060 EdS/1280 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
Het betrof oordelen over de werkgeverslasten en over de toewijsbaarheid van een deel van de vordering van [verweerder 1] .
Rb. Midden-Nederland, zp. Lelystad (wrakingskamer) 4 december 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:5284, Prg. 2021/24.
Ktr. Amersfoort 26 mei 2021, zaaknr. 7226157 AC EXPL 18-3060 LH/1040 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
De toewijzingen betreffen een veroordeling van de maatschap tot betaling van (i) € 3.892,94 aan brutoloon aan [verweerder 1] en van (ii) € 602,86 bruto aan achterstallig garantiesalaris aan [verweerster 2] , beide met wettelijke rente.
Zie memorie van grieven tevens wijziging van eis, nrs. 4.1-4.3.
Dat betreft, kort gezegd, de vraag of bij de berekening van het loon moet worden uitgegaan van het ‘praktijktarief’ of het ‘declaratietarief’. Deze kwestie is in cassatie niet meer aan de orde.
Hof Arnhem-Leeuwarden 21 november 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:9879, RAR 2024/31.
Zie over de vakantiewetgeving hoofdstuk 4 van de conclusie van A-G De Bock (ECLI:NL:PHR:2022:1198) voor HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:816, RvdW 2023/649 (NS Reizigers), hfst. 4. Zie voor het te hanteren vakantieloonbegrip de conclusie van A-G De Bock van 16 februari 2024 (ECLI:NL:PHR:2024:177) voor HR 27 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1322, RvdW 2024/884 (Mammoet).
Zie o.a. HR 27 september 2024, Mammoet), rov. 3.2.1, met verwijzing naar HvJ 15 september 2011, C-155/10, ECLI:EU:C:2011:588 (Williams e.a. /British Airways), punt 29-30.
Zie bijv. HvJ 14 december 2023, C-206/22, ECLI:EU:C:2023:984 (TF/Sparkasse Südpfalz), punt 26-27. In die zin ook HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1748, RvdW 2020/1177 (Rijnlands Lyceum), rov. 2.5.2.
Zie o.a. HvJ 15 september 2011, C-155/10, ECLI:EU:C:2011:588 (Williams e.a. /British Airways), punt 20, 23; HvJ 22 mei 2014, C-539/12, ECLI:EU:C:2014:351 (Lock/British Gas Trading), punt 16, 17, 20, 23; HvJ 13 december 2018, C-385/17, ECLI:EU:C:2018:1018 (Hein/Holzkamm), punt 44.
Zie o.a. HR 27 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1322, RvdW 2024/884 (Mammoet), rov. 3.3.2-3.3.3.
Zie HvJ 19 november 2019, C-609/17, ECLI:EU:C:2019:981, AB 2020/210, m.nt. R.J.G.M. Widdershoven (TSN), punt 36.
Vgl. HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:816, RvdW 2023/649 (NS Reizigers), rov. 3.2.2.
HvJ 19 maart 2006, zaken C-131/04 en C-257/05, ECLI:EU:C:2006:177, NJ 2007/228 (Robinson-Steele).
Zie punt 16 van het arrest. Daaruit volgt dat het precies een weekloon oplevert wanneer de werknemer gedurende drie maanden onafgebroken volgens het betrokken dag- en nachtdienstrooster heeft gewerkt.
Sindsdien vaste rechtspraak. Zie nogmaals HR 27 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1322, RvdW 2024/884 (Mammoet), rov. 3.2.2, met verwijzing naar het arrest Robinson-Steele, punt 58-59.
Met verwijzing naar HvJ 26 juni 2001, C-173/99, ECLI:EU:C:2001:356 (BECTU), punt 43, en naar HvJ 18 maart 2004, C-342/01, ECLI:EU:C:2004:160 (Merino Gómez), punt 30.
Zie reeds 4.9 en de precedenten genoemd in voetnoot 15.
Zo is het de vraag of de werkgever in de loonstrook moet uitsplitsen welk deel van de maandelijkse betaling wordt uitbetaald ten titel van vakantiegeld of van loon voor vakantiedagen. Zie daarover M. Faber, noot bij Ktr. Den Haag, 30 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:5369, JAR 2023/148.
HvJ 22 mei 2014, C-539/12, ECLI:EU:C:2014:351 (Lock/British Gas Trading).
Zie met zoveel woorden ook HvJ 13 januari 2022, C-514/20, ECLI:EU:C:2022:19 (DS/Koch), punt 32.
Zie bijv. Ktr. Rotterdam 4 november 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:9784, rov. 4.4.
Hof Amsterdam 27 oktober 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BL4256, JAR 2009/284, RAR 2010/63. Zie voor de bodemprocedure Ktr. Zaandam 21 november 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:13850, JAR 2014/29, m.nt. H.J. Funke (Albert Heijn, Gall&Gall en Etos) met vergelijkbare uitkomst.
Funke betoogt in zijn in de vorige voetnoot genoemde annotatie dat een all-in uurloon is toegestaan indien (a) de werknemer gewoon vakantie opbouwt en geen sprake is van een afkoop van vakantierechten, (b) het all-in uurloon er niet toe leidt dat de werknemer de door hem opgebouwde vakantie niet meer opneemt of niet zonder belemmering kan opnemen, (c) duidelijk is hoe het all-in uurloon is opgebouwd en (d) de werknemer geen (financieel) nadeel ondervindt door het all-in uurloon. Verhulp lijkt onder vergelijkbare voorwaarden een all-in loon toelaatbaar te achten. Zie T&C Arbeidsrecht, aant. 1 bij art. 7:639 BW (online, bijgewerkt t/m 1 juli 2024). Ook M. Faber meent dat een all-in salaris onder strikte voorwaarden is toegestaan, zie haar noot in JAR 2019/82 bij het tussenvonnis van de kantonrechter van 27 februari 2019 in de onderhavige procedure.
Zie o.a. de noot van J.P.H. Zwemmer in JAR 2011/158 (laatste alinea) bij Ktr. Leeuwarden 9 februari 2011, ECLI:NL:RBLEE:2011:BP5796 (mondhygiëniste). In haar noot in JAR 2023/148 bij Ktr. Den Haag 30 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:5469 leidt Faber uit de Robinson-Steele-uitspraak af dat het onder omstandigheden mogelijk is om het vakantiedagenloon tóch op te nemen in een periodiek all-in salaris. W.H.A.C.M. Bouwens & D.M.A. Bij de Vaate, Arbeidsovereenkomstenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2023, par. 10.3, verwijzen in noot 23 naar de volgende uitspraken waarin zij steun vinden voor deze uitleg van Robinson-Steele: Ktr. Zaandam 21 november 2013 (reeds aangehaald); Ktr. Groningen 25 april 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:1908, JAR 2017/162 (locatiemanager op oproepbasis); Ktr. Rotterdam 11 oktober 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:8427, RAR 2019/24 (barmedewerkster); Ktr. Rotterdam 12 april 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:3360 (fysiotherapeut); Ktr. Amsterdam 30 april 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:6509 (fysiotherapeut); Ktr. Maastricht 22 mei 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:4876, RAR 2019/165 (fysiotherapeuten); Hof Arnhem-Leeuwarden 17 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:9450, JAR 2020/303 (inwonende thuishulp, werkgever heeft niet gegriefd tegen nietigheid all-in loon); Ktr. Rotterdam 4 november 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:9784 (erfgenamen oproepkracht).
Vgl. in die zin S.S.M. Peters, in: Arbeidsovereenkomst, aant. 2.2 bij art. 7:639 BW (online, bijgewerkt t/m 8 juli 2024), die erop wijst dat het – gelet op de arbeidsovereenkomst met vermelding van een percentage van 8,33% - nadere uitleg zou verdienen als het in voor Robinson-Steele niet duidelijk en transparant was, en dat het HvJ ook voor dat geval oordeelde (zonder in te gaan op transparantie) dat de Arbeidstijdenrichtlijn zich verzet tegen betaling van een in uur- of dagloon opgenomen vakantieloon in plaats van een uitkering op het moment dat de werknemer daadwerkelijk vakantie opneemt. Zie ook A.R. Houweling c.s., Arbeidsrechtelijke themata I, Den Haag: Bju 2023, par. 8.4.3, p. 585, die menen dat de ‘escape’ uit het Robinson-Steele-arrest zeer terughoudend dient te worden toegepast. Zie ook de schriftelijke toelichting van de fysiotherapeuten, onder 18 en voetnoot 14.
Noot iv in origineel: Onder meer in HvJ EU 6 november 2018, ECLI:EU:C:2018:8.
Zie ook de vijfde alinea van subonderdeel I.1 (procesinleiding, p. 3).
Bij dit alles kan de vraag rijzen waaruit het (extra) te betalen vakantiedagenloon wordt gefinancierd als de omzet niet kan worden vergroot. Ik vermoed dat de fysiotherapeuten ervan uitgaan dat de extra loonkosten afgaan van wat er overblijft voor de onderneming en de maten en dus bij de werkgever thuis horen. Nu zij al geruime tijd uit dienst van de maatschap zijn, ligt dat in hun situatie ook voor de hand. In het geval van huidige werknemers is denkbaar dat het brutoloon als percentage van de gerealiseerde omzet (iets) wordt verlaagd.
Zie HR 20 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1278, RvdW 2024/868, JAR 2024/270, m.nt. W.A. Zondag, TRA 2024/105, m.nt. D. Schwartz, JIN 2024/156, m.nt. J.C.A. Ettema, rov. 3.2, en HR 20 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1281, RvdW 2024/870, rov. 3.2. De maatschap en de fysiotherapeuten zijn bij repliek respectievelijk dupliek op deze uitspraken ingegaan.
Zie HR 23 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3531, NJ 2007/176 (Brocacef/FGC), rov. 4.3. Zie bijv. ook HR 15 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1536, NJ 2021/335, en voornoemde arresten van 20 september 2024, rov. 3.3.
Zie HR 8 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:336, NJ 2024/106 (Centra-Klima), rov. 4.1.3.
Vgl. voornoemde arresten van 20 september 2024, rov. 3.3.
Vgl. voornoemde arresten van 20 september 2024, rov. 3.3.
Zie de schriftelijke toelichting van de fysiotherapeuten, nr. 40-44.
Zie ook de dupliek van de maatschap, nr. 7.
Die conclusie trekt de maatschap in nr. 53 van de memorie van antwoord, aansluitend op haar bespreking van de grieven in nrs. 4-52.
Vgl. ook de schriftelijke toelichting van de fysiotherapeuten, nrs. 48-49.
Conclusie van antwoord in conventie, nr. 36 (de tweede als zodanig aangeduide alinea, onderaan de voorlaatste ongenummerde pagina van die conclusie).
Dat betreft de Werkloosheidswet (WW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) en de Ziektewet (ZW).
De Wfsv is op 1 januari 2006 in werking getreden en sindsdien is de financiering van de sociale verzekeringen niet langer geregeld in de afzonderlijke materiewetten.
Ik laat rusten dat geen verhaal mogelijk is als de naheffingsaanslag bij wijze van eindheffing aan de werkgever is opgelegd, in welk geval sprake is van een eigen belasting-/premieschuld van de werkgever. Zie ook HR 11 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB5924, NJ 2008/188, m.nt. J.W. Zwemmer (H./Sovak).
Stb. 1986/566, p. 24.
Vgl. HR 3 november 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC8267, NJ 1990/699, m.nt. J.B.M. Vranken (Derksen/Scholten), rov. 3.1. Zie ook HR 10 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1174, NJ 1994/261 (Van Dijk c.s./Van der Heiden c.s.), rov. 3.3. Indien beide partijen zich ervan bewust zijn dat gedane betalingen premieplichtig loon vormen, kan het onder omstandigheden echter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn dat de werknemer zich tegen verhaal door de werkgever verweert, zie HR 4 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5662, BNB 1994/234, rov. 4.6, en HR 4 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5663, BNB 1994/235, m.nt. Sinninghe Damsté, rov. 5.2. Volledigheidshalve zij genoemd dat tijdelijk een afwijkende regeling heeft bestaan voor werknemers die beschikten over een Verklaring Arbeidsrelatie (VAR).
Uit de parlementaire totstandkoming van art. 20 Wfsv blijkt niet iets anders. Zie bijv. Kamerstukken II 2003/04, 29 529, nr. 3, p. 82 (MvT Wfsv; het daar genoemde art. 3.1.2 betreft art. 20 Wfsv).
Vgl. Vakstudie Loonbelasting en Premieheffingen, aant. 1.4 bij art. 20 Wfsv (online, bijgewerkt t/m 6 januari 2025). Ik wijs ook op de parlementaire toelichting bij het verhaalsverbod uit art. 42 lid 7 Zorgverzekeringswet (Kamerstukken II 2009/2010, 32 131, nr. 3, p. 26): “In het [toen nog] vijfde lid wordt geregeld dat de inhoudingsplichtige de door hem verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage niet mag verhalen op de werknemer. Hiermee wordt de werknemer tegen onvoorziene financiële risico’s beschermd.”
Voor zover de maatschap iets anders zou bedoelen, daar waar zij in nr. 3.7 van haar schriftelijke toelichting benadrukt dat op de loonstroken geen enkele inhouding van werkgeverslasten is te zien, is dat onjuist (die passage in de schriftelijke toelichting is kennelijk woordelijk overgenomen uit haar memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel, nr. 46).
HR 21 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1711, NJ 1997/570, m.nt. C.J.H. Brunner (…] / [….), rov. 3.3.
Vgl. ook Hof Amsterdam 15 december 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:3478, rov. 3.16. Die zaak gaat eveneens over de beloning van fysiotherapeuten. Ook daar overweegt het hof dat de werkgeverslasten een rol spelen bij de berekening van het gedeelte van de gerealiseerde omzet dat aan de werknemer als brutoloon toekomt en dat art. 20 Wfsv hierop geen betrekking heeft.
Zie rov. 3.34 van het bestreden arrest.
Zie rov. 3.25.
Zie rov. 3.11 en 3.27.
Zie rov. 3.27 en 3.34.
Zie rov. 3.34.
Het hof heeft immers vastgesteld dat een gefixeerd percentage wordt gehanteerd (en ziet ook niet in dat achteraf de werkelijke percentages zouden moeten worden gehanteerd, zie eveneens rov. 3.34). Ik meen dat het hof hiermee rekening heeft gehouden. Het hof volgt kennelijk de stelling van de maatschap dat nooit sprake is geweest van een verhoging van werkgeverslasten omdat die steeds op 19% zijn gesteld (zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 7. Het verwerpt dus de andersluidende stelling van de fysiotherapeuten, dat latere verhogingen van de werkgeverslasten in dit geval voor hun rekening zijn gekomen (zie de memorie van grieven, nr. 7.9.2).
Voetnoot 6 in origineel: Zie productie 39, overgelegd bij brief van 20 oktober 2020 door [de maatschap] , eerste aanleg.
Voetnoot 7 in origineel: € 25.832,56 plus € 17.672,78
Zie de schriftelijke toelichting van de maatschap, nr. 3.11-3.14.
Zie de memorie van grieven, nr. 4.2 (eerste gedachtestreepje), waarnaar in het petitum wordt verwezen.
Ook indien het hof met de maatschap ervan zou zijn uitgegaan dat [verweerster 2] in 2015 minder omzet heeft behaald dan is gemoeid met het garantieloon, zoals de maatschap in nr. 3.16 van haar schriftelijke toelichting aanvoert, is nog steeds onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat [verweerster 2] haar vordering slechts zou hebben gebaseerd op een gesteld tekort aan garantiesalaris.
Beroepschrift 10‑02‑2024
Hoge Raad der Nederlanden
Zitting van 3 mei 2024
VERWEERSCHRIFT VORDERINGSPROCEDURE BIJ DE HOGE RAAD, TEVENS HOUDENDE (VOORWAARDELIJK) INCIDENTEEL CASSATIEBEROEP
Inzake:
- 1.
[verweerder 1], wonende te [woonplaats],
- 2.
[verweerster 2], wonende te [woonplaats],
- 3.
[verweerster 3], wonende te [woonplaats],
verweerders in het principaal cassatieberoep,
eisers in het incidenteel cassatieberoep,
hierna gezamenlijk te noemen: de Fysiotherapeuten advocaten: mrs. P.A. Fruytier en F.M. Dekker
tegen:
- 1.
[de maatschap], gevestigd te [vestigingsplaats],
- 2.
[eiser 2], wonende te [woonplaats],
- 3.
[eiseres 3], wonende te [woonplaats],
- 4.
[eiseres 4], wonende te [woonplaats],
- 5.
[eiseres 5], wonende te [woonplaats],
- 6.
[eiser 6], wonende te [woonplaats],
- 7.
[eiseres 7], wonende te [woonplaats],
- 8.
[eiseres 8], wonende te [woonplaats],
- 9.
[eiser 9], wonende te [woonplaats],
eisers in het principaal cassatieberoep,
verweerders in het incidenteel cassatieberoep,
hierna gezamenlijk te noemen: [eisers] c.s. advocaat: mr. H.J.W. Alt,
De Fysiotherapeuten doen zeggen voor antwoord:
in het principaal cassatieberoep
dat in het aangevallen arrest niet op de in cassatie aangevoerde gronden het recht is geschonden, terwijl evenmin op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen zijn verzuimd, zodat het cassatieberoep moet worden verworpen;
in het (voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep
dat de Fysiotherapeuten van hun kant bezwaren hebben tegen het arrest van Hof Arnhem-Leeuwarden van 21 november 2023 (zaaknummer 200.299.882) en daartegen (voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep instellen onder aanvoering van het navolgende
Middel van cassatie
schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, doordat het hof heeft overwogen en beslist als is vervat in het ten deze bestreden arrest, zulks ten onrechte om één of meer van de navolgende, zo nodig mede in onderlinge samenhang te lezen redenen:
Onvoorwaardelijke klachten
1.
In rov. 3.27 recapituleert het hof dat een all-in loon is overeengekomen, hetgeen op het punt van uitbetaling vakantiedagen niet toelaatbaar is, maar voor de rest wel. Afgesproken is dat ‘de totale loonkosten voor de werkgever’ 60,9% respectievelijk 61,9% van de omzet bedragen. Onder de loonkosten vallen naar het oordeel van het hof ook de werkgeverslasten. Op grond van artikel 4.1 van de arbeidsovereenkomsten is het bruto variabel loon (inclusief vakantietoeslag) daarom het desbetreffende percentage van de omzet, te verminderen met de werkgeverslasten. Dat is het overeengekomen bruto loon en komt niet in strijd met artikel 20 Wfsv, waarvan het doel is om werknemers te beschermen tegen onvoorziene financiële risico's. Het zal daarbij veelal gaan om verhaal achteraf. Daarvan is in dit geval geen sprake, aldus het hof.
1.1.
's Hofs oordeel, dat een all-in loon als in deze zaak aan de orde, waarin ook de werkgeverslasten zijn verdisconteerd, niet in strijd is met artikel 20 Wfsv, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Een dergelijk all-in loon leidt er immers toe dat de werkgeverslasten (in feite) voor rekening en risico van de werknemer komen, hetgeen artikel 20 Wfsv nu juist beoogt te voorkomen.
2.
In rov. 3.34 rekent het hof voor ieder van de Fysiotherapeuten het juiste jaarsalaris uit. Het hof overweegt daarbij dat [verweerster 3] en [verweerster 2]1. niet hebben onderbouwd dat zij recht hebben op meer salaris dan zij reeds hebben ontvangen. Voor [verweerster 3] verwijst het hof ter onderbouwing naar het door hemzelf opgestelde staatje, dat als volgt luidt:
jaar | ontvangen salaris | omzet | 60,9% loon | -/- 19% wgs.lasten= jaarsalaris |
|---|---|---|---|---|
2013 | 36.808,57 | 39.868,47 | 24.279,90 | 19.666,72 |
2014 | 32.839,32 | 42.417,99 | 25.832,56 | 20.924,37 |
Voor [verweerster 2] geldt, aldus het hof, dat haar vordering slechts is gebaseerd op een gesteld tekort aan garantiesalaris, maar niet op de stelling dat zij op basis van haar werkelijke omzet recht had op een hoger salaris.
2.1.
Het in rov. 3.34 vervatte oordeel, dat [verweerster 3] niet heeft onderbouwd dat zij recht heeft op meer salaris dan zij heeft ontvangen, is onbegrijpelijk wat het jaar 2014 betreft. Het hof stelt het loon waarop [verweerster 3] in 2014 vanwege de door haar gerealiseerde omzet recht had — blijkens het in rov. 3.34 opgenomen staatje — op € 20.924,37 bruto. In randnummer 6.6.4 van de memorie van grieven is evenwel uiteengezet dat [verweerster 3] in 2014 arbeidsongeschikt is geweest en dat zij over de periode waarin zij wegens ziekte niet kon werken een uitkering van € 17.672,78 bruto heeft ontvangen. Bij de onderbouwing van haar vordering heeft [verweerster 3] deze arbeidsongeschiktheidsuitkering opgeteld bij het salaris dat [eisers] c.s. haar vanwege de door haar gerealiseerde omzet had moeten betalen.2. Het hof verdisconteert deze uitkering echter niet, althans niet kenbaar, in zijn berekening. Had het hof dat wel gedaan, dan zou het verschuldigde salaris niet zijn uitgekomen op € 20.294,37 bruto, maar op (€ 20.294,37 + € 17.672,78 =) € 38.597,15 bruto,3. hetgeen hoger is dan het door [verweerster 3] blijkens het staatsje van het hof ontvangen bedrag van € 32.839,32. Het hof heeft in zijn berekening aldus ten onrechte geen acht geslagen op de arbeidsongeschiktheidsuitkering van [verweerster 3], hetgeen in het licht van voormeld betoog onbegrijpelijk is, te meer nu de berekening op dit punt niet door [eisers] c.s. is betwist. Voor zover het hof zou hebben gemeend dat het geen rekening hoefde te houden met de bedoelde arbeidsongeschiktheidsuitkering, is zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd, nu iedere onderbouwing ontbreekt.
2.2.
De overweging aan het slot van rov. 3.34, dat [verweerster 2] haar vordering slechts zou hebben gebaseerd op een gesteld tekort aan garantiesalaris en niet op de stelling dat zij op basis van haar werkelijke omzet recht had op een hoger salaris, is eveneens onbegrijpelijk. [verweerster 2] heeft in deze procedure een bedrag van € 13.803,58 bruto aan achterstallig salaris gevorderd,4. welk bedrag in randnummers 6.9.1 t/m 6.9.6 van de memorie van grieven is uitgewerkt. Uit die uitwerking blijkt dat het bedrag van € 13.803,58 bruto uit twee componenten bestaat:
- (i)
€ 5.964,42 bruto ter zake van garantieloon5. en
- (ii)
€ 7.839,16 bruto aan te weinig ontvangen variabel loon in 2015.6.
Ter onderbouwing van dit laatste bedrag heeft [verweerster 2] aangevoerd dat zij in 2015 een werkelijke omzet heeft gemaakt van € 41.722,76, zodat haar variabele loon 60,9% daarvan, zijnde € 25.409,16, zou moeten bedragen. Naast dit variabele loon had [verweerster 2] recht op € 4.689 bruto aan loon vanwege fysiotraining. In totaal had het brutoloon van [verweerster 2] in 2015 derhalve (€ 25.409,16 + € 4.689 =) € 30.098,16 moeten zijn, terwijl zij blijkens de jaaropgave slechts € 22.259 bruto uitbetaald heeft gekregen. Dit is € 7.839,16 bruto te weinig.7. In het licht van dit betoog van [verweerster 2] is 's hofs hier bestreden overweging onbegrijpelijk. Het hof heeft de hiervoor met (ii) aangeduide component over het hoofd gezien en ten onrechte niet in de beoordeling betrokken.
Voorwaardelijke klachten
Het hierna te formuleren onderdeel 3 wordt door de Fysiotherapeuten voorwaardelijk, te weten voor het geval de klacht van subonderdeel 1.1 in het incidentele cassatiemiddel slaagt met cassatie van het bestreden arrest tot gevolg, naar voren gebracht.
3.
In rov. 3.35 t/m 3.37 berekent het hof het vakantieloon dat [eisers] c.s. aan ieder van de Fysiotherapeuten moet nabetalen. Daarbij gaat het hof voor het aantal vakantiedagen uit van de door de Fysiotherapeuten opgegeven aantallen (rov. 3.35).
Het hof volgt de Fysiotherapeuten evenwel niet in hun berekening van het te hanteren uurloon voor de vakantiedagen (rov. 3.36). Het hof wijst er daartoe op dat de Fysiotherapeuten het uurloon hebben berekend door de door hen gerealiseerde omzet respectievelijk het daadwerkelijk in een jaar ontvangen salaris te vermeerderen met de vakantietoeslag en dit te delen door het volgens hen daadwerkelijk aantal gewerkte uren per week. Gelet op de grote verschillen in gerealiseerde omzet, acht het hof echter niet aannemelijk dat die omzet ieder jaar in precies hetzelfde aantal uren per week is gerealiseerd. De Fysiotherapeuten hebben, aldus nog steeds het hof, ook geen verklaring gegeven voor de grote verschillen in het door hen berekende uurloon. Om die reden gaat het hof uit van een naar redelijkheid te begroten uurloon. Daarvoor neemt het hof het gemiddelde van de door de Fysiotherapeuten als uurloon genoemde bedragen, waartegen door [eisers] c.s. onvoldoende verweer is gevoerd. Het hof stelt het uurloon op € 32,- bruto.
3.1.
Het oordeel van het hof in rov. 3.36, dat het de Fysiotherapeuten niet volgt wat betreft de berekening van het voor de vakantiedagen te hanteren uurloon, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het bepaalde in artikelen 24 en/of 149 Rv. De Fysiotherapeuten hebben gemotiveerd aanspaak gemaakt op nabetaling van vakantiedagen.8. [eisers] c.s. hebben zich daartegen verweerd, doch hebben niet aangevoerd dat de Fysiotherapeuten het uurloon verkeerd zouden hebben berekend. Het verweer van [eisers] c.s. luidde slechts dat het vakantieloon reeds is verdisconteerd in het overeengekomen all-in loon en dat een dergelijk all-in loon, ook wat betreft vakantiedagen, is toegestaan.9. Het door de Fysiotherapeuten berekende uurloon is door [eisers] c.s. niet betwist. Meer specifiek is door [eisers] c.s. niet gesteld dat het, gelet op de grote verschillen in gerealiseerde omzet, niet aannemelijk is dat die omzet steeds in precies hetzelfde aantal uren per week is gerealiseerd. Door toch op deze grond van het door de Fysiotherapeuten berekende uurloon af te wijken, heeft het hof in strijd met artikel 24 Rv de feitelijke grondslag van het verweer van [eisers] c.s. aangevuld, althans heeft het hof miskend dat het ingevolge artikel 149 lid 1 Rv op dit punt van de juistheid van de stellingen van de Fysiotherapeuten moest uitgaan, 's Hofs hier bestreden oordeel is in verband met dit laatste tevens innerlijk tegenstrijdig, aangezien het hof de door de Fysiotherapeuten als uurloon genoemde bedragen niet volgt, terwijl het tegelijkertijd overweegt dat [eisers] c.s. onvoldoende verweer hebben gevoerd tegen die bedragen. Deze laatste constatering — die in cassatie niet is bestreden — had het hof er ingevolge artikel 149 lid 1 Rv toe moeten brengen de door de Fysiotherapeuten als uurloon genoemde bedragen te volgen.
3.2.
Tegen voormelde achtergrond is het voorts onbegrijpelijk dat het hof de Fysiotherapeuten in rov. 3.36 aanrekent dat zij geen verklaring hebben gegeven voor de grote verschillen in het door hen berekende uurloon. Omdat [eisers] c.s. de als uurloon genoemde bedragen niet hebben betwist, was er voor de Fysiotherapeuten immers geen aanleiding een verklaring te geven voor die verschillen.
Met conclusie:
in het principaal cassatieberoep: tot verwerping van het cassatieberoep, met (hoofdelijke) veroordeling van [eisers] c.s. in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na de datum van het arrest van de Hoge Raad;
in het (voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep: tot vernietiging van de bestreden uitspraak, met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad juist zal achten en met (hoofdelijke) veroordeling van [eisers] c.s. in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na de datum van het arrest van de Hoge Raad.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 10‑02‑2024
Het hof duidt [verweerster 2] in het arrest aan bij haar getrouwde naam ‘[verweerster 2]’. In deze procesinleiding wordt, in navolging van de processtukken in feitelijke instanties, de naam [verweerster 2] gebruikt.
MvG, nr. 6.6.4.
Indien subonderdeel 1.1 slaagt, komt dit bedrag zelfs uit op het door [verweerster 3] becijferde bedrag van (€ 25.832,56 + € 17.672,78 =) € 43.505,34 bruto (zie MvG, nr. 6.6.4).
MvG, nr. 4.2 (eerste gedachtestreepje), waarnaar in het petitum wordt verwezen.
Zie MvG, nrs. 6.9.1 t/m 6.9.4, voor een nadere onderbouwing van deze component.
Zie MvG, nr. 6.9.5, voor een nadere onderbouwing van deze component.
MvG, nr. 6.9.5.
Inl. dagv, nrs. 25 t/m 47 en 78 t/m 83; en MvG, nrs. 6.51 t/m 6.5.4 ([verweerder 1]), 6.8.1 t/m 6.8.3 ([verweerster 3]), 6.11.1 t/m 6.11.2 ([verweerster 2]) en 7.8.1 t/m 7.8.8 (alle Fysiotherapeuten).
CvA in conventie, nrs. 31 t/m 36; en MvA in principaal appel, nrs. 27 t/m 42.
Beroepschrift 04‑01‑2024
PROCESINLEIDING VORDERINGSPROCEDURE BIJ DE HOGE RAAD
Eisers tot cassatie zijn:
- 1.
De maatschap [de maatschap], gevestigd te [vestigingsplaats], en haar maten:
- 2.
[eiser 2], wonende te [woonplaats],
- 3.
[eiseres 3], wonende te [woonplaats],
- 4.
[eiseres 4], wonende te [woonplaats],
- 5.
[eiseres 5] wonende te [woonplaats],
- 6.
[eiser 6] wonende te [woonplaats],
- 7.
[eiseres 7]., wonende te [woonplaats],
- 8.
[eiseres 8], wonende te [woonplaats],
- 9.
[eiser 9], wonende te [woonplaats],
hierna gezamenlijk: de maatschap, allen voor deze zaak domicilie kiezende te (2582 GM) Den Haag aan de Statenlaan 28, ten kantore van Alt Kam Boer advocaten van wie mr. H.J.W. Alt, advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, door requiranten als zodanig is aangewezen om hen te vertegenwoordigen in na te melden cassatieprocedure.
Verweerders te dezen zijn:
- 1.
[verweerder 1], wonende te [woonplaats],
- 2.
[verweerster 2], wonende te [woonplaats],
- 3.
[verweerster 3], wonende te [woonplaats],
hierna: samen de fysiotherapeuten en ieder afzonderlijk [verweerder 1], [verweerster 2] en [verweerster 3] voor wie in hoger beroep als (proces)advocaat is opgetreden mr. F.B. van Batenburg, kantoorhoudende te (2408 BR) Alphen aan den Rijn aan de Zuidpoolsingel 188 (Van Batenburg & Pracht Advocaten);
Eisers sub 1 t/m 9, als gezegd gezamenlijk in enkelvoud aangeduid als ‘de maatschap’, stellen hierbij cassatieberoep in tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 21 november 2023, gewezen onder zaaknummer 200.299.882/01, hierna: het arrest;
Verweerders kunnen in deze cassatieprocedure ten laatste verschijnen op: woensdag 3 april 2024. Daarnaast wordt verweerders erop gewezen dat de enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad der Nederlanden vorderingszaken, zoals de onderhavige, behandelt op vrijdagen om 10.00 uur (zie: art. 3.1.4.4. van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden) in het gebouw van de Hoge Raad der Nederlanden aan het Korte Voorhout 8.
De maatschap voert tegen het arrest het volgende middel van cassatie aan:
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan niet-inachtneming nietigheid medebrengt, doordat het hof bij het aangevallen arrest heeft overwogen en beslist gelijk in het arrest vermeld — hier als herhaald en ingelast te beschouwen — ten onrechte om één of meer van de navolgende — zo nodig in onderling verband en samenhang te beschouwen — redenen:
A. Kern van de zaak
1
Het gaat in cassatie erover of de fysiotherapeuten nog aanspraken hebben uit hoofde van een inmiddels geëindigd dienstverband.
2.
Het hof oordeelt dat dit het geval is en gaat daarbij, aldus het middel, uit van een onjuiste uitleg van de jurisprudentie van het HvJEU. Voorts wordt geklaagd over miskenning van de devolutieve werking van het appel.
B. Klachten
I. Onjuiste rechtsopvatting: Robinson/SteeleI. ziet op de situatie dat er tijdens vakantie in het geheel geen loon wordt uitbetaald, niet op de onderhavige situatie, waarin maandelijks loon is betaald, ook tijdens de door de fysiotherapeuten opgenomen vakantie
Dit onderdeel is gericht tegen rovv. 3.16 t/m 3.20, waarin het hof oordeelt (letters door mij-HJWA):
- ‘a.
Wat betreft de vakantiedagen komt het hof tot een ander oordeel. De artikelen 7:639 en 7:640 BW regelen de aanspraken van een werknemer op vakantie met behoud van loon. Dit is dwingend recht dat moet worden uitgelegd volgens de Europese Richtlijn 2003/88/EG. Het Europese Hof van Justitie heeft bij herhaling beslist dat uit het recht op doorbetaling van loon van artikel 7 van de Richtlijn voor de werkgever de verplichting voortvloeit om de werknemer in staat te stellen vakantie daadwerkelijk op te nemen2.. (rov 3.16)
- b.
Uitgangspunt is daarom dat, gelet op het belang van de recuperatiefunctie van vakantie, het in beginsel niet mogelijk is om loon gedurende vakantiedagen in een all-in salaris op te nemen. Dat is in het genoemde arrest Robinson/Steele ook met zoveel woorden beslist.(rov. 3.16)
- c.
Volgens die uitspraak verzet artikel 7 van de Richtlijn zich er niet tegen dat àls (in strijd met dit uitgangspunt) bovenop het reguliere loon toch betalingen worden gedaan als uitbetaling van vakantiedagen, deze betalingen worden verrekend met het loon voor een bepaalde vakantieperiode. Dat kan alleen als dat op (door de werkgever te bewijzen) transparante en begrijpelijke wijze gebeurt. Daarvan is in deze zaak geen sprake. Weliswaar staat in artikel 5 van de arbeidsovereenkomsten een aantal vakantiedagen genoemd, maar dat is ook alles. In de arbeidsovereenkomsten staat niet hoe die vakantiedagen zich verhouden tot het salaris van artikel 4. Op geen enkele manier wordt uit de arbeidsovereenkomsten, uit de loonstroken of uit de jaarlijkse afrekeningen duidelijk welk deel van het loon is bedoeld als (reservering voor) uitbetaling van de vakantiedagen. Daardoor was dat voor de fysiotherapeuten niet transparant. Omdat zij meer salaris verdienden als zij werkten en niet helder was welk deel van het loon gereserveerd was voor vakantie, werden zij in feite gestimuleerd om geen vakantie op te nemen. Dat is niet toegestaan. (rov. 3.16)
- d.
De fysiotherapeuten stellen dat zij wel vakantie hebben opgenomen, maar dat zij daaraan voorafgaand veel extra uren maakten, omdat zij die vakantie moesten verdienen en dat het rond de vakantie altijd spannend was welk loon je overhield. Ook stellen zij dat de maatschap geen verlofregistratie bijhield. Dat laatste betwist de maatschap weliswaar, maar een verlofadministratie is niet overgelegd en ook niet voorhanden, zo is tijdens de mondelinge behandeling bij het hof gebleken. Het hof gaat aan die betwisting dus voorbij.(rov 3.17)
- e.
Het voorgaande betekent dat de afspraak dat de uitbetaling van vakantiedagen is begrepen in het all-in salaris nietig is. De fysiotherapeuten hebben wel vakantie opgenomen, maar geen loon daarover ontvangen. De maatschap beroept zich subsidiair op verrekening van de vorderingen met de door de maatschap betaalde bedragen ter zake van vakantie. Dat beroep gaat op grond van wat hiervoor is overwogen niet op: vanwege het ontbreken van transparantie en begrijpelijkheid is verrekening nu juist niet toegestaan. Bovendien heeft de maatschap niet voldaan aan haar stelplicht en ontbreekt een verlofadministratie.(rov 3.18)
- f.
Op het subsidiaire verweer van de maatschap dat de gevorderde bedragen niet juist zijn gaat het hof aan het eind van dit arrest in.(rov 3.19)
- g.
Het hof komt dus tot het oordeel dat de vorderingen van de fysiotherapeuten ten aanzien van de vakantietoeslag worden afgewezen en dat die ten aanzien van de nabetaling van vakantiedagen worden toegewezen zoals hierna te vermelden. (rov 3.20)’
alsmede de daarop voortbouwende rechtsoverwegingen zoals rovv 3.27 t/m 3.41 van het dictum
I.1
Vooropgesteld zij dat blijkens rov. 3.4 partijen een variabel loon inclusief loon over vakantie en inclusief vakantietoeslag (rovv. 3.4 en 3.12) zijn overeengekomen, met als ondergrens een garantiesalaris3. (zie ook rov. 3.29). Voorts staat vast dat partijen werkten met een (maandelijks) periodesalaris (in de arbeidsovereenkomsten aangeduid als bruto maandsalaris) dat steeds tijdens opgenomen vakantiedagen is doorbetaald.4.
Daaruit volgt dat er geen sprake is van een niet doorbetalen van loon tijdens het opnemen van vakantiedagen zodat er, anders dan het hof sub a t/m g kennelijk van oordeel is, in het geheel geen sprake van een ‘all-in salaris’-situatie zoals in de uitspraak Robinson Steele5. en dus ook niet van een situatie zoals het hof sub b aanhaalt. In die situatie, waar het hof in sub b op doelt, dus de situatie waar het loon over vakantiedagen alvast als deel van het loon vooruit wordt betaald en er tijdens het opnemen van de vakantie dus geen loon wordt (door)betaald (want dat is al vooruitbetaald), kan verrekening met hetgeen de werkgever al vooruitbetaald alleen plaatsvinden indien een werkgever transparant is over welk deel van het vooruitbetaalde loon ziet op de werkzaamheden en welk deel ziet op de vooruitbetaling van het loon ter zake van nog op te nemen vakantiedagen.
In de onderhavige situatie wordt geen loon voor vakantiedagen vooruitbetaald maar gewoon maandelijks loon betaald, ook wanneer de werknemer met vakantie is. Dan is er dus geen sprake van een ‘all-in’ situatie als bedoeld in het oordeel sub b.
Ten aanzien van hetgeen het hof sub c overweegt miskent het hof dus ook dat geen sprake van een ‘reservering’ van het loon voor vakantiedagen. Tijdens de opgenomen vakantie wordt, als gezegd, gewoon doorbetaald. Het hof miskent in zijn oordeel sub c dat daardoor die transparantie-eis in dit geval in het geheel niet geldt omdat er geen sprake is van vooraf in een uurtarief mede betaalde vakantiedagen, maar eenvoudig van doorbetaling tijdens vakantie. Anders dan het hof sub c overweegt hoeft dus ook op de loonstroken niet duidelijk te worden gemaakt in de arbeidsovereenkomsten, de loonstroken of in de jaarlijkse afrekeningen welk deel van het loon is bedoeld als (reservering voor) uitbetaling van de vakantiedagen.
Resumerend miskent het hof dus oordelend sub a t/m g, in het bijzonder in het oordeel sub c dat de uitspraak Robinson Steele6. in onderhavige casus elke toepassing mist en er evenmin strijd is met artikel 7 van de in sub a genoemde Richtlijn, zodat ook het oordeel sub e dat de afspraak dat de uitbetaling van de vakantiedagen is inbegrepen in de loonbetaling nietig is getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, dan wel niet toereikend gemotiveerd is.
Dat heeft dus tot gevolg dat er geenszins door de fysiotherapeuten nog aanspraak kan worden gemaakt op enige betaling terzake van opgenomen vakantiedagen, zodat het oordeel sub g evenmin in stand kan blijven.
I.2
Anders dan het hof kennelijk van oordeel is in overwegingen a t/m g doet daaraan niet af dat partijen een variabel loon inclusief vakantietoeslag en loon over vakantiedagen zijn overeengekomen (bovenop het garantieloon). Dat ziet immers slechts op de hoogte van het overeengekomen loon en niet op de vraag of er tijdens het opnemen van vakantiedagen überhaupt loon wordt doorbetaald. Het hof heeft dit hetzij miskend hetzij heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
I.3
Ook miskent het hof in overweging sub d het in dat kader dus ook niet van belang is dat en of zij voorafgaand aan een vakantie meer uren hebben gemaakt, nu dit aan de doorbetaling van het overeengekomen loon tijdens de vakantie niets afdoet. Dit geldt mutatis mutandis voor het eveneens in onderdeel sub d genoemde punt van het al dan niet bijhouden van een verlofregistratie. In casu vorderen de fysiotherapeuten geen niet genoten vakantiedagen. Voor een dergelijke vordering ter zake van uitbetaling van niet-genoten vakantiedagen is een verlofadministratie van belang. Dat is echter niet het geval in onderhavige situatie waar het gaat om de vraag of het loon tijdens de door hen opgenomen vakantiedagen is doorbetaald.
I.4
Het slagen van één of meer van de voorgaande klachten betekent dat ook het oordeel sub e niet in stand kan blijven. Het is onjuist en onbegrijpelijk dat het hof oordeelt dat de fysiotherapeuten geen loon tijdens hun vakantie hebben ontvangen en dat ‘uitbetaling van vakantiedagen begrepen in het all-in salaris nietig is’ alsook dat de fysiotherapeuten wel vakantie hebben opgenomen maar daar geen loon over hebben ontvangen. Ook het in overweging e wederom genoemde transparantiebeginsel mist toepassing (zie onderdeel I.1).
II. Miskenning devolutieve werking7. van het hoger beroep; miskenning grievenstelsel
Het hof overweegt in rov. 3.7:
‘3.7.
Het hof stelt verder voorop dat de kantonrechter in het tussenvonnis van 27 februari 2019 het beroep van de maatschap op schending van de klachtplicht heeft verworpen. Dat oordeel is in hoger beroep niet betwist, zodat ook het hof er bij de verdere beoordeling van uitgaat dat de (door de fysiotherapeuten betwiste) stelling van de maatschap dat de fysiotherapeuten lange tijd geen bezwaar hebben gemaakt niet aan toewijzing van de vorderingen in de weg staat.’
II.1
Het hof miskent in rov 3.7 ten aanzien van het in eerste aanleg gedane beroep op het bepaalde in art 6:89 BW (klachtplicht)8. de devolutieve werking van het hoger beroep. De rechtbank heeft dit beroep bij tussenvonnis d.d. 27 februari 2019 in rov. 4.3 verworpen. Nu bij eindvonnis van 26 mei 2021 de vorderingen van de fysiotherapeuten grotendeels zijn afgewezen en zij hoger beroep hebben ingesteld brengt de devolutieve werking van het hoger beroep mee dat het hof ook in eerste aanleg afgewezen verweren opnieuw dient te beoordelen nu volgens het hof de grieven ten aanzien van de vakantiedagen slagen (zie rovv. 3.16 t/m 3.20). Gesteld noch gebleken is dat de maatschap dit verweer in hoger beroep heeft prijsgegeven. Daartoe is niet voldoende dat, zoals het hof overweegt, ‘dat oordeel is in hoger beroep niet betwist’. Uitsluitend indien een verweer in hoger beroep met zoveel woorden zou zijn prijsgegeven kon en mocht het hof daaraan voorbijgaan. Het hof heeft dit alles hetzij miskend, hetzij heeft het zijn oordeel niet toereikend gemotiveerd, althans is het oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk.
II.2
Het hof gaat in rov 3.7 ook overigens uit van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het in eerste aanleg gegeven oordeel ‘in hoger beroep niet [is] betwist’. Immers de maatschap is in eerste aanleg grotendeels in het gelijk gesteld en was in hoger beroep — behoudens voor het hier niet aan de orde zijnde incidentele appel — verweerster en kon en mocht erop vertrouwen dat haar verweer uit de eerste aanleg, bij de behandeling van de grieven van de fysiotherapeuten zouden worden meegenomen. Een aparte klacht of zelfs incidentele grief daaromtrent is dus, anders dan het hof kennelijk meent, niet noodzakelijk.
Het hof heeft dit hetzij miskend, hetzij heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
II.3
Indien en voor zover het hof van oordeel is dat artikel 6:89 BW niet van toepassing zou zijn op een arbeidsovereenkomst en/of het met de rechtbank van oordeel zou zijn dat die in arbeidsverhoudingen terughoudend moet worden toegepast gaat het uit van een onjuiste rechtsopvatting. Immers, naar de aard dient ook een werknemer die maandelijks een loonstrookje krijgt binnen bekwame tijd te controleren of de werkgever zijn kant van de (duur)overeenkomst naar behoren is nagekomen. Zeker waar het, zoals in onderhavige zaak, een kleine werkgever betreft en het vele jaren laten oplopen van een beweerdelijke achterstand tot onaanvaardbare risico's en claims achteraf leidt en naar de aard bij loonvorderingen werknemers door tijdsverloop in een ongunstiger bewijspositie komen, kan ook gelet op het bepaalde in artikel 7:611 BW (goed werknemerschap) van de werknemer worden verwacht dat die zijn loonstrook controleert en indien daar naar zijn mening iets aan schort binnen bekwame tijd klaagt. Het hof heeft dit hetzij miskend, hetzij heeft het zijn uitspraak niet toereikend gemotiveerd.
II.4
Het slagen van één of meer klachten van dit onderdeel vitiëert ook rovv. 3.21 t/m 3.38, 3.41 en het dictum.
III
In rov. 3.38 wordt het beroep op de derogerende werking verworpen met als motivering:
‘Zij stelt dat toewijzing van de vordering tot een absurde beloning leidt en dat dat zou leiden tot staking van de onderneming. Zij spitst dit beroep kennelijk toe op toewijzing van de volledige vorderingen van de fysiotherapeuten. Daarvan is echter geen sprake.’
Het hof wijst dit beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid kennelijk af nu de vorderingen — ook in hoger beroep — niet integraal worden toegewezen. Echter blijkens de MvA rnr 54, dat voor de uitwerking naar de antwoordakte van 11 september 2019 verwijst rnrs 8 – 10, wordt echter geenszins een beroep gedaan op de derogerende werking uitsluitend voor het geval van integrale toewijzing (vet en onderstreept door mij-HJWA):
- ‘54.
Fysiotherapie Soestdijk doet subsidiair een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid. Ter zake verwijst zij naar hetgeen in eerste aanleg naar voren is gebracht, met name in de antwoordakte van 11 september 2019 (‘Akte na akte d.d. 26 juni 2019’) onder de randnummers 8 tot en met 10. Toewijzing van — een gedeelte van — de vorderingen zou onherroepelijk leiden tot de staking van de onderneming en mogelijk zelfs tot het faillissement van de onderneming, met alle gevolgen voor de huidige medewerkers en ook voor de maten van de maatschap.’
Dit oordeel van het hof is dan ook onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd. Het klemt temeer daar het bedrag dat thans blijkens het dictum wordt toegewezen bestrijkt thans toch ook al snel € 66.000, hetgeen nog moet worden vermeerderd met de wettelijke rente, sommige bedragen vanaf 2015 en andere vanaf 2018.
IV
Het hof laat in rov. 3.40 en ook overigens in de aangevallen uitspraak onbesproken het beroep op matiging van de wettelijke rente zoals gedaan in de CvA rnr. 36. Het hof wijst die wettelijke rente in rov 3.40 en het dictum zonder nadere motivering toe. Ook hierbij miskent het hof hetzij de devolutieve werking van het hoger beroep, hetzij geeft het geen inzicht in zijn gedachtegang en is het oordeel dus niet toereikend gemotiveerd.
V
Het slagen van één of meer klachten vitiëert ook overwegingen f en g alsmede rovv 3.33 t/m 3.41 en het dictum.
Weshalve:
De maatschap en haar leden op grond van dit middel de vernietiging van het arrest vorderen met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad zal vermenen te behoren, met veroordeling van verweerder in cassatie in de kosten van het geding te vermeerderen met de wettelijke rente ingaande veertien dagen na het te deze te wijzen arrest van de Hoge Raad.
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 04‑01‑2024
HvJ EU 16 maart 2006, ECLI:EU:C:2006:177 (Robinson/Steele).
Onder meer in HvJ EU 6 november 2018, ECLI:U:C:2018:872.
Zie ook aantekeningen zijdens de maatschap eerste aanleg d.d. 28 januari 2019 p. 2 rnr 8 eerste volzin. P-V in eerste aanlegd.d. 28 januari 2019 p. 3 eerste woordblok. Het — met alle drie de werknemers overeengekomen — garantieloon werd gebaseerd op een uurloon en is als een (vast) bedrag tussen de partijen opgenomen in de arbeidsovereenkomst. Ook al zouden de werknemers geen omzet hebben gemaakt, dan zouden zij het garantieloon betaald hebben gekregen. Het garantieloon betrof dus een garantie. Het garantieloon is in de onderhavige zaak onderbelicht gebleven omdat de werknemers (ver) boven het garantieloon verdienden.
Zie MvA rnrs. 32–33. Zie ook CvA rnrs. 31 – 33 en 36.
Waar immers de betrokken werknemers niet tijdens de vakantiedagen werden doorbetaald doch werd dit geacht te zijn verdisconteerd in een ‘all-in’ salaris dat werd betaald wanneer werd gewerkt Zie HvJ EU 16 maart 2006, ECLI:EU:C:2006:177 (Robinson/Steele) rovv. 17 en 18 resp. rovv. 32, 33 dit werd ook in de procedure aangeduid als ‘rolled-up holiday pay.’
Waar immers de betrokken werknemers niet tijdens de vakantiedagen werden doorbetaald doch werd dit geacht te zijn verdisconteerd in een ‘all-in’ salaris dat werd betaald wanneer werd gewerkt Zie HvJ EU 16 maart 2006, ECLI:EU:C:2006:177 (Robinson/Steele) rovv. 17 en 18 resp. rovv. 32, 33 dit werd ook in de procedure aangeduid als ‘rolled-up holiday pay.’
Hoewel het hof die uiteraard ambtshalve dient toe te passen is daarop in de MvA rnr. 2 ook nog expliciet een beroep gedaan.
Zie onder meer CvA rnrs. 25, 35. Zie overigens ook MvA rnr. 38 waarin nog eens wordt aangehaald dat zij jarenlang niet hebben geprotesteerd.