Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.4.2
9.4.2 Pleitbaar standpunt
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940185:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een diepgravend onderzoek naar de rol van het pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht Kors 2017-I. Dit proefschrift verscheen twee maanden voordat de Hoge Raad het hierna te bespreken richtinggevende arrest HR 21 april 2017, V-N 2017/22.9, BNB 2017/162 wees. Naar aanleiding van dat arrest schreef Kors een aanvulling in Kors 2017-II. Zie voor een samenvatting van het proefschrift Kors 2017-III.
HR 11 juli 1984, BNB 1984/268, V-N 1984, p. 2129, HR 11 juli 1984, BNB 1984/258 (impliciet), HR 22 juli 1988, BNB 1988/271, HR 7 september 1988, BNB 1988/319. Een voorloper uit de feitenrechtspraak is te vinden in Hof Amsterdam 18 augustus 1982, V-N 1984, p. 2076.
Kors 2017-I, p. 46 e.v., HR 21 april 2017, V-N 2017/22.9, BNB 2017/162, r.o. 3.4.5-3.4.6. Dat laat onverlet dat de pleitbaarheid, vanwege het objectieve karakter ervan, ook achteraf nog (dus ná het begaan van het beboetbare feit) kan ontstaan, zie daarover nader paragraaf 9.4.2.1 hierna.
Zie voor een overzicht van de leer van het pleitbaar standpunt de Conclusie van A-G Groeneveld bij HR 12 september 2003, BNB 2004/75 en de noot van Feteris daarbij. Zie voorts Bruijsten 2012.
HR 11 januari 2013, BNB 2013/63, r.o. 2.3, HR 11 november 2005, V-N 2005/57.14, BNB 2006/147, r.o. 3.5, HR 30 juni 1999, BNB 1999/300, HR 23 september 1992, BNB 1993/193, r.o. 3.3.6. Feteris heeft erop gewezen, dat de Hoge Raad in de periode daarvoor nog weer een andere definitie hanteerde, namelijk of het standpunt in die mate verdedigbaar is, dat hij redelijkerwijs kon menen juist te handelen, zie Feteris 2007, p. 350 (alwaar ook de relevante verwijzingen zijn terug te vinden). Zie ook Kors 2017-II, par. 5.1.
HR 21 april 2017, V-N 2017/22.9, BNB 2017/162, r.o. 3.4.5.
HR 11 augustus 2017, V-N 2017/39.4, BNB 2017/193, r.o. 2.4.1, HR 20 december 2019, V-N 2020/2.18, BNB 2020/43, r.o. 2.3.2.
HR 21 april 2017, V-N 2017/22.9, BNB 2017/162, r.o. 3.4.8.
In dezelfde zin: Kors 2017-II, par. 5.2.
Zie voor een voorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 22 november 2022, V-N 2023/13.16, r.o. 4.38.
Zie voor een voorbeeld HR 29 september 2023, V-N 2023/43.14.
HR 29 mei 2020, V-N 2020/26.20, BNB 2020/108, r.o. 3.1.5 (zie voor de afloop na verwijzing Hof ’s-Hertogenbosch 14 december 2022, V-N 2023/43.18).
De Hoge Raad heeft in de jaren tachtig van de twintigste eeuw de leer van het ‘pleitbaar standpunt’ ontwikkeld.1 In enkele arresten oordeelde de Hoge Raad dat een ingenomen standpunt dat redelijkerwijs verdedigbaar (‘pleitbaar’) is, opzet of grove schuld uitsluit.2 Het relevante toetsmoment is daarbij het moment van het doen van aangifte of de voldoening of afdracht op aangifte.3 Als er op dat moment sprake was van een dergelijk pleitbaar standpunt, dan kan de belastingplichtige geen opzet of grove schuld worden verweten, ook al wordt zijn standpunt achteraf onjuist bevonden.4
De inhoudelijke toets die de Hoge Raad aanlegt, is in de loop van de jaren herhaaldelijk gewijzigd. Gedurende enkele decennia verliep die toets via de negatieve constatering dat ‘niet kan worden gezegd dat met het innemen van het standpunt dermate lichtvaardig is gehandeld dat het aan zijn opzet of grove schuld is te wijten dat te weinig belasting is geheven’.5 In één van de zogenoemde Credit Suisse-arresten uit 2017 hanteerde de Hoge Raad daarentegen de volgende, positief geformuleerde definitie:
‘Indien een onjuiste belastingaangifte wordt gedaan, kan ter zake daarvan geen vergrijpboete (…) worden opgelegd indien aan die aangifte een standpunt ten grondslag ligt dat gebaseerd kan worden op een pleitbare uitleg van het (fiscale) recht, in die zin dat de belastingplichtige ten tijde van het doen van die aangifte – naar objectieve maatstaven gemeten – redelijkerwijs kon en mocht menen dat deze uitleg en daarmee de door hem gedane aangifte juist was. In een dergelijk geval kan niet worden gezegd dat het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige te wijten is dat die aangifte onjuist is dan wel dat daardoor te weinig belasting is geheven, ook al wordt het aan die aangifte ten grondslag liggende standpunt later door de rechter onjuist bevonden.’6
De Hoge Raad heeft deze formulering nadien (ook voor de aangiftebelastingen) bevestigd.7 Volgens de Hoge Raad is de oude, negatief geformuleerde toetsingsmaatstaf overigens in overeenstemming met het nieuwe, positief geformuleerde criterium.8 Dat betekent dat de oudere jurisprudentie zijn belang blijft behouden.9
Van belang is nog dat een pleitbaar standpunt alleen kan zien op de interpretatie van het (fiscale) recht. Het moet dus gaan om een – geheel of gedeeltelijk10 – rechtskundig (juridisch) standpunt. Daaronder valt ook de rechtskundige duiding van de feiten.11 Gaat het daarentegen om een standpunt van louter feitelijke aard (dat bijvoorbeeld de waardering van aandelen betreft), dan is dat standpunt – hoe verdedigbaar ook – geen ‘pleitbaar standpunt’.12
9.4.2.1 Karakterisering van de pleitbaarheid: geheel ontbreken van verwijtbaarheid (AVAS)9.4.2.2 Bewijslastverdeling