Bedrijfswaarde (FM)
Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/8.6.1.3:8.6.1.3 De onderrentabiliteit van een individueel actief
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/8.6.1.3
8.6.1.3 De onderrentabiliteit van een individueel actief
Documentgegevens:
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS343122:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk in dit verband onder meer HR 7 december 1994, nr. 29 334, met conclusie van A-G Van Soest, BNB 1995/ 88 met noot van G. Slot.
RFH 14 december 1926, VI A 575/26, RFHE 20,87 (88f.).
RFH 9 februari 1938, RFH Bd. 43,268.
Aantekening 569 bij § 6 EStG.
BFH 17 september 1987, BstBl. II 1988, 488.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Werd tot nu toe in dit hoofdstuk gesproken over de onderrentabiliteit van de gehele onderneming, zo wordt in het vervolg van deze paragraaf de onderrentabiliteit van het individuele actief belicht dat onderdeel van een onderneming uitmaakt. Als er sprake is van een gewenste rentabiliteit voor de onderneming dan zou grosso modo deze rentabiliteitseis ook voor het individuele actief moeten gelden. Maar wanneer is er sprake van een onderrentabiliteit van een individueel actief? Het antwoord van het Reichsfinanzhof luidt: indien dit actief zijn verwachte bijdrage aan de rentabiliteit van de onderneming niet kan leveren1. Helaas gaat het Reichsfinanzhof eraan voorbij dat de bijdrage van een individueel actief aan de rentabiliteit van de onderneming als geheel moeilijk te bepalen is. Wel geeft het Reichsfinanzhof aan dat er bepaalde redenen voor onderrentabiliteit zijn zoals bijvoorbeeld het buiten gebruik stellen van een actief2 of de miskoop van een actief doordat er zwaarwegende calculatiefouten zijn gemaakt3.
Naar de mening van Herrmann/Heuer/Raupach4 is de rechtspraak van het Reichsfinanzhof in tweeërlei opzicht van belang.
Het Reichsfinanzhof stapt al snel van de Differenz- en Repartitionsmethode af en ontwikkelt (omwille van de praktische toepasbaarheid van het begrip `Teilwerf) criteria betreffende `Teilwertvermoeden' en `Teilwertbegrenzingen'.
Niet alle jurisprudentie van het Reichsfinanzhof over het begrip `Teilwerf is thans nog van belang. Bedacht moet worden dat het Reichsfinanzhof in zijn jurisprudentie het begrip `Teilwerf (tot op dat moment een nieuw begrip in het belastingrecht) vorm en inhoud heeft gegeven.
Later zien we dat het Bundesfinanzhof in grote lijnen bij de rechtspraak van het Reichsfinanzhof aangaande het begrip `Teilwerf aanknoopt en daarin verdere detailleringen en verfijningen aanbrengt (zie bijvoorbeeld een meer recente uitspraak van het Bundesfinanzhof van 17 september 19875). In casu ging het om de aankoop van een machine die (naar achteraf blijkt) een te grote capaciteit heeft en daarmee als een onjuiste investering moet worden bestempeld. Opvallend is in dit geval dat het Bundesfinanzhof een afwaardering op lagere 'Teilwert' onafhankelijk van de rentabiliteit van de onderneming sanctioneert. De `Teilwerf komt in casu overeen met de kostprijs van de hypothetisch te verwerven machine met de kleinere (dat wil zeggen benodigde) capaciteit.