Einde inhoudsopgave
De rol van de paritas creditorum bij een faillissement 2023/2.4.2
2.4.2 Voorrecht
mr. M.J. Noteboom, datum 31-05-2022
- Datum
31-05-2022
- Auteur
mr. M.J. Noteboom
- JCDI
JCDI:ADS686234:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dit is een belangrijk verschil met de zakelijke zekerheidsrechten pand en hypotheek die berusten op wilsovereenstemming tussen partijen.
Op 30 november 1992 is bij de Tweede Kamer wetsvoorstel 22 942 ingediend. In dit wetsvoorstel worden alle preferenties op een centrale plaats in de wet geregeld (te weten in afdeling 2 van Titel 10 Boek 3 BW). Op 16 december 2010 is het wetsvoorstel door de Tweede Kamer afgevoerd van de stand van werkzaamheden (Tweede Kamer, Handelingen 2010-2011, nr. 36, 12).
Vgl. Memorie van Antwoord bij Titel 10 Boek 3 BW (Van Zeben, Du Pon & Olthof 1981a, p. 844): “Een voorrecht geeft slechts voorrang. Eerst als een crediteur een verhaalsrecht op een goed of vermogen heeft, baat hem dus het door de wet op dat goed of op dat vermogen toegekende voorrecht.” Nader over voorrechten Asser/Van Mierlo & Krzeminski 2020, nr. 466 e.v., Reehuis e.a. 2012/913 tot en met 2012/936, Tekstra 2008, Hartkamp 2005/184, 2005/187 en 2005/188 en Fesevur 2017. Voor een rechtseconomische analyse van voorrechten zie Tuil 2011.
Alhoewel de meeste voorrechten worden genoemd in Titel 10 Boek 3 BW (zie de artikelen 3:283 BW tot en met 3:289 BW), is ook een gedeelte elders in de wet beschreven. Zie bijvoorbeeld de voorrechten op schepen in boek 8 BW (afdeling 8.3.3 BW en afdeling 8.8.3 BW), artikel 21 lid 1 Invorderingswet (“‘s Rijks schatkist heeft een voorrecht op alle goederen van de belastingplichtige.”) en artikel 60 Participatiewet. Zie voor een overzicht van (bijna) alle voorrechten: Franken e.a. 2011, p. 101 e.v.
Zie o.a. HR 20 januari 1905, W 8172, HR 28 juni 1992, NJ 1929/1619 en HR 19 september 1958, NJ 1959/113. In lijn met de gedachte dat voorrechten strikt moeten worden uitgelegd, heeft de Hoge Raad tot slot ook uitgemaakt dat een vordering uit hoofde van een 403-verklaring (een schriftelijke verklaring ex artikel 2:403 BW waarin een moedermaatschappij zich hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de nakoming van de uit rechtshandeling voortvloeiende schulden van de dochtermaatschappij) geen voorrecht schept. Zie HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:898 en HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:904.
Zie nader Erasmus 1974, p. 28. Vgl. Fesevur 2017, p. 15 en Reehuis e.a. 2012/913,
Opnieuw een “paritas creditorum” derhalve, maar nu op het niveau van de bijzondere voorrechten.
Onder het oude BW is onderwerp van kritiek geworden: (1) de willekeur ten aanzien van de rechtsgrond voor bestaande preferenties en voor de invoering van nieuwe preferenties, (2) de zeer hoge preferentie verbonden aan fiscale vorderingen en vorderingen ter zake van sociale verzekeringspremies en (3) de onoverzichtelijkheid van de wettelijke regeling. Zie nader Houwing 1974, p. 13-15. Om die reden is in 1986 een commissie ingesteld onder voorzitterschap van mr. Ph. A.N. Houwing, om advies uit te brengen over een te ontwerpen regeling van de bevoorrechten vorderingen. Onder invloed van het rapport van deze commissie is met de invoering van het nieuwe BW een groot aantal voorrechten geschrapt.
Zie Houwing 1974, p. 18. Erasmus 1974, p. 35 merkt in dit verband op: “Bij de aanbieding door de commissie van haar rapport heeft Minister Van Agt er onder meer op gewezen dat het niet verwonderlijk is dat bij een onderwerp als de preferenties de opvattingen over de vraag wie bij een concursus voorop mag lopen divergeren. Wij raken hierbij immers aan een van de kernpunten van wat men zich bij het fenomeen ‘recht’ voorstelt. En voorrechten zijn nu eenmaal inbreuken op een fundamenteel beginsel van alle recht dat steeds veronderstelt de gelijkheid van degenen die bevoegd zijn rechten uit te oefenen. Uitzonderingen die daarop worden gemaakt en gemaakt moeten worden roepen vaak emotionele reacties op. Als voorbeeld daarvan verwees de Minister naar de Oostenrijkse schrijfster MARIE VON EBNER-ESCHENBACH, die in haar ‘Aphorismen’ schreef: ‘Der grösste Feind des Rechtes ist das Vorrecht’.”
Voorrang vloeit, zo is hiervoor al vastgesteld, ook voort uit voorrecht. Een voorrecht, ook wel preferentie of privilege genoemd, is een persoonlijk recht dat door de wet1 is verbonden aan een bepaalde vordering.2 De betekenis van een voorrecht ligt uitsluitend in het toekennen van een hogere rang aan een schuldeiser bij de verdeling van de opbrengst van vermogensbestanddelen van de schuldenaar.3 Het geeft de schuldeiser van die vordering het recht uit de netto-opbrengst van één of meer goederen van de schuldenaar (in de zin van artikel 3:277 BW) bij voorrang te worden voldaan.4
Artikel 3:278 lid 2 BW bepaalt: “Voorrechten ontstaan alleen uit de wet”. Hieruit kan worden afgeleid dat het gaat om een gesloten systeem van voorrechten. In de rechtspraak wordt doorgaans strikt de hand gehouden aan het uitgangspunt dat een voorrecht alleen uit de wet kan voortvloeien. Een analogische of extensieve interpretatie wordt afgewezen.5 Als ratio achter de strikte interpretatie van een voorrecht wordt in de literatuur gewezen op de terughoudendheid die moet worden betracht bij de doorbreking van de hoofdregel van de gelijkheid van schuldeisers.6
Een voorrecht rust op bepaalde goederen of op alle tot een vermogen behorende goederen (art. 3:278 lid 2 BW). In het eerste geval is er sprake van een bijzonder voorrecht, in het tweede geval van een algemeen voorrecht. Blijkens art. 3:280 BW heeft een bijzonder voorrecht voorrang boven een algemeen voorrecht. Bij een botsing tussen bijzondere voorrechten die op hetzelfde goed rusten, geldt in de onderlinge verhouding tussen de schuldeisers dat de voorrechten gelijke rang hebben (art. 3:281 lid 1 BW).7
Wat betreft de rechtvaardiging van het voorrecht kan worden gewezen op het onderzoek van de Commissie Houwing.8 De Commissie Houwing heeft als uitgangspunt genomen dat een voorrecht uitsluitend gerechtvaardigd is, indien duidelijke redenen aanwezig zijn om de hoofdregel van de gelijkheid van de schuldeisers ter wille van één van hen te doorbreken. Een voorrecht is met andere woorden uitsluitend gerechtvaardigd indien het belang van de bevoorrechte crediteur moet prevaleren boven dat van de andere schuldeisers bij de voldoening van hun vorderingen.9