RvdW 2022/1126:Verbeurdverklaring van geldbedrag van € 281,85, art. 33a lid 1 sub a Sr. Is het gehele geldbedrag verkregen d.m.v. of uit baten van het verkopen van 0,56 gram cocaïne a.b.i. art. 33a lid 1 sub a Sr? Onder ‘het strafbare feit’, ‘het feit’ en ‘het misdrijf’ in art. 33a lid 1 Sr moet telkens het bewezenverklaarde feit worden verstaan. Voor verbeurdverklaring is vereist dat één van de in art. 33a lid 1 Sr genoemde gronden zich voordoet t.a.v. bewezenverklaard feit (vgl. NJ 2020/47). Hof heeft kennelijk geoordeeld dat dit geldbedrag geheel of grotendeels d.m.v. of uit baten van het onder 1 bewezenverklaarde is verkregen en dat het daarom vatbaar is voor verbeurdverklaring. Dit oordeel is niet zonder meer begrijpelijk, in aanmerking genomen dat uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen volgt dat de verdachte met de bewezenverklaarde verkoop van cocaïne € 40 heeft verkregen. Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. verbeurdverklaring van geldbedrag en terugwijzing.