Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid (IVOR nr. 116) 2019/9.5.3:9.5.3 403-aanspraak en gecedeerde vordering 403-rechtspersoon
Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid (IVOR nr. 116) 2019/9.5.3
9.5.3 403-aanspraak en gecedeerde vordering 403-rechtspersoon
Documentgegevens:
mr. drs. E.C.A. Nass, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
mr. drs. E.C.A. Nass
- JCDI
JCDI:ADS85669:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer Biemans 2011 (diss.), p. 307; Bartman 2015, p. 809; Wibier 2008, par. 3; De Neve 2002, p. 240. Ook Van Dooren 2015, p. 324, komt in wat hij noemt ‘directe hoofdelijkheid’ tot deze uitleg.
Wibier 2008, p. 182.
Booms 2019 (diss.), p. 430 en diens noot 9 op die pagina.
Booms 2019 (diss.), p. 444.
Van Dooren 2015/72, par. 3.4.
Wibier 2008, p. 185.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ervan uitgaande dat de vordering op de 403-rechtspersoon en de 403-aanspraak zelfstandig overdraagbare vorderingsrechten zijn, is de consequentie van de hoofdelijkheid in de zin van Boek 6 BW dat overdracht van het vorderingsrecht jegens de 403-rechtspersoon afzonderlijk kan plaatsvinden van de 403-aanspraak en dat in die situatie de 403-aanspraak achterblijft bij de oorspronkelijke schuldeiser.1 De 403-aanspraak jegens de 403-aansprakelijke maatschappij moet door de oorspronkelijke schuldeiser aan de derde worden overgedragen alvorens deze zich voor voldoening ook tot de 403-aansprakelijke maatschappij kan wenden. In de situatie dat de oorspronkelijke schuldeiser de vordering jegens de 403-rechtspersoon overdraagt aan de derde en de 403-aanspraak jegens de 403-aansprakelijke maatschappij houdt, kan de derde alleen nakoming vorderen van de 403-rechtspersoon maar niet van de 403-aansprakelijke maatschappij. Het is alsdan mogelijk dat de derde en de schuldeiser beiden (tegelijk) hun vordering indienen (bij de 403-rechtspersoon respectievelijk de 403-aansprakelijke maatschappij). De 403-aansprakelijke maatschappij ziet zich alsdan geconfronteerd met de vraag aan wie (schuldeiser of derde) zij bevrijdend kan betalen.
Het voorgaande wil natuurlijk niet zeggen dat degene aan wie de vordering op de 403-rechtspersoon is overgedragen, zonder de 403-aanspraak van degene die heeft overgedragen, zich niet voor voldoening tot de 403-aansprakelijke maatschappij zou kunnen wenden. De uit de 403-verklaring voortvloeiende 403-aansprakelijkheid geldt immers jegens degenen die rechthebbenden zijn op de uit rechtshandelingen van de 403-rechtspersoon voortvloeiende vorderingsrechten jegens de 403-rechtspersoon. Dit volgt uit het bepaalde in art. 2:403 lid 1 onder f BW: het gaat om een hoofdelijke aansprakelijkstelling voor de uit de rechtshandelingen van de 403-rechtspersoon voortvloeiende schulden. Hierop wordt ook uitdrukkelijk door Wibier gewezen waar hij opmerkt dat hij er niet aan twijfelt dat degene aan wie is overgedragen, de 403-aansprakelijke maatschappij kan aanspreken, niet omdat de 403-aanspraak aan hem is overgedragen, maar uit eigen hoofde vanwege de gedeponeerde 403- verklaring.2 Hij voegt er aan toe dat degene die heeft overgedragen niet langer de bevoegdheid heeft de 403-aansprakelijke maatschappij aan te spreken omdat hij niet langer is te beschouwen als degene tot wie de 403-verklaring zich richt. Ook Booms merkt op dat bij een 403-verklaring uit de wet volgt dat de 403-aansprakelijke maatschappij zich jegens een ieder aansprakelijk moet stellen die de hoedanigheid heeft van een rechthebbende van een vordering op de 403-rechtspersoon, ongeacht aan wie de corresponderende vorderingsrechten toekomen3; als de hoedanigheid eindigt kan de aanspraak niet meer worden ingeroepen.4
Ik merk nog op dat de Hoge Raad niet heeft overwogen dat een 403-verklaring met zich brengt dat er een afzonderlijk overdraagbare 403-aanspraak is jegens de 403-aansprakelijke maatschappij. Juist door overdracht van de vordering op de 403-rechtspersoon ligt het mijns inziens voor de hand dat de schuldeiser na overdracht van het vorderingsrecht de 403-aanspraak ook niet meer heeft, omdat de 403-verklaring ten doel strekt compensatie te bieden aan rechthebbenden van de vorderingsrechten jegens de 403-rechtspersoon.
In de opvatting van een onafhankelijk nevenrecht gaat de 403-aanspraak bij overdracht van de 403-vordering mee, maar blijft de 403-aanspraak zelfstandig overdraagbaar, omdat art. 6:142 BW toepassing mist.5 Als de 403-aanspraak als afhankelijk recht zou worden geduid, zou deze tezamen met de vordering jegens de 403-rechtspersoon steeds in één hand zijn en zijn de hiervoor genoemde complicaties niet aan de orde. Dit is ook het geval in de opvatting van Wibier6 die ervan uitgaat dat de 403-aanspraak pas ontstaat nadat de 403-aansprakelijke maatschappij daartoe is aangesproken en aanneemt dat de bevoegdheid de 403-aansprakelijke maatschappij aan te spreken een niet-zelfstandig overdraagbaar nevenrecht oplevert. In de ‘dynamische 403-aanspraak’-opvatting, evenals in de ‘één vordering/twee schuldenaren’- opvatting is van afzonderlijk overdragen geen sprake.