Einde inhoudsopgave
Re-integratie zieke werknemer (MSR nr. 66) 2014/6.9.3
6.9.3 De bestuursrechtelijke beschikking
mr.dr. G.A. Diebels, datum 24-09-2014
- Datum
24-09-2014
- Auteur
mr.dr. G.A. Diebels
- JCDI
JCDI:ADS575652:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Rechtswetenschap / Algemeen
Sociale zekerheid arbeidsongeschiktheid / Re-integratie
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
CRvB 14 april 2010, LJN BM1194.
Rijpkema, p.97-99, die ook wijst op het feit dat een besluit een wettelijk rechtsgevolg activeert (verlenging loondoorbetaling) maar dat dit ook buiten het UWV om kan gebeuren als de werknemer te laat een WIA-aanvraag indient. Zie ook A.M.P. Rijpkema en A. Tollenaar, ‘Verlengde loondoorbetaling: een bestuursrechtelijke blik op bijzondere besluiten’, TRA 2010/97.
CRvB 14 april 2010, LJN BM1179.
Art. 111 en 112 WIA.
Art. 25 lid 10 WIA.
Roozendaal 2002, p.311.
CRvB 6 februari 2008 LJN BC4502, Rijpkema noemt dit bestuursrechtelijk zuiver, p.105.
CRvB 6 februari 2008 LJN BC4502. Ook in de WIA-aanvraag kan expliciet worden gevraagd om het opleggen van een loonsanctie, CRvB 6 februari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC4478.
Rb. Zutphen 29 maart 2005, USZ 2005/256, CRvB 20 december 2006, LJN AZ4979, AZ4962 en AZ5061 (USZ 2007/43), over aanvraag in bezwaarfase bijv. CRvB 6 februari 2008, LJN BC4478 en 20 februari 2008, LJN BC5404. Van belang is dan nog steeds dat de wachttijd niet inmiddels al verstreken is, omdat het UWV dan geen loonsanctie meer op zou kunnen leggen, zie ook CRvB 9 januari 2013, LJN BY8075 en 22 mei 2013, LJN CA0763.
CRvB 20 december 2006, LJN AZ4979, AZ4962 en AZ5061, USZ 2007/43, ook Rb. Roermond 11 januari 2005, USZ 2005/90.
CRvB 6 februari 2008, LJN BC4475.
P.S. Fluit, ‘Het procesbelang in WIA-zaken’, TRA 2013/56.
CRvB 12 augustus 2009, LJN BJ5425.
Fluit bij zijn bespreking van Rb. Alkmaar 5 juli 2012, LJN BX1408 en CRvB 22 mei 2012, LJN BW6528, TRA 2013/56.
De CRvB acht dat niet in strijd met evenredigheid, 11 augustus 2010, LJN BN3811.
CRvB 14 april 2010, LJN BM1179.
J.J.B. van den Elsaker, ‘Re-integratie-inspanningen anno 2012: do’s en don‘ts’, TRA 2012/65, P.S. Fluit, ‘De loonsanctie na 104 weken in de praktijk’, ArbeidsRecht 2011/27 en bijv. CRvB 26 mei 2010, LJN BM7348.
Rijpkema, p.99-101 en jurisprudentie in noot 51.
Rijpkema, p.101-102. Ik zou nog kunnen denken aan een toetsing bij het einde van de wachttijd waarbij wordt bezien of de werkgever de inhoudelijke tekortkomingen die zes weken eerder werden vastgesteld inmiddels heeft verholpen. Zo ja, dan wordt de loonsanctie niet van kracht en vindt een verdere beoordeling van de WIA-aanvraag plaats, zo nee dan geldt het huidige systeem. De vraag is dan wel wie de werknemer betaalt in de periode dat het UWV de ‘eindewachttijd’-toets uitvoert en waarin het UWV de WIA-aanvraag verder behandelt. Het ligt voor de hand dat het UWV dat op voorschotbasis doet. Ik begrijp tegelijk dat een periode van zes weken om inhoudelijke tekortkomingen te herstellen kort is.
De werkgever hoort immers uiterlijk zes weken voor einde van de wachttijd bij het opleggen van de loonsanctie dat hij inhoudelijk tekort is geschoten. Na herstel van die inhoudelijke tekortkomingen vraagt hij om bekorting van de loonsanctie, waar het UWV binnen drie weken op antwoordt, waarna de loonsanctie zes weken later eindigt. De werkgever moet bij het tijdig opleggen van een loonsanctie dus op zijn minst drie weken loon doorbetalen, maar in de praktijk altijd langer omdat met herstel van de inhoudelijke inspanningen ook enige tijd zal zijn gemoeid.
CRvB 31 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL9850, Rijpkema/Tollenaar, TRA 2010/97.
Rijpkema, p.102-104.
CRvB 31 maart 2010, LJN BL9850, USZ 2010/115.
De bedoeling van de loonsanctie is dus de werkgever in staat te stellen tekortkomingen te herstellen. De wettelijke regeling bevat geen discretionaire bevoegdheid om geheel of gedeeltelijk af te zien van de loonsanctie. Het UWV moet dus toetsen en daarna beslissen over het al dan niet opleggen van een loonsanctie. Dat doet hij bij een beschikking in de zin van artikel 1:3 lid 2 Awb waartegen bezwaar en beroep open staat. Over de mededeling van het UWV aan de werkgever dat het loonbetalingstijdvak is verlengd, is wel gedacht dat het géén voor bezwaar vatbaar besluit is, maar zuiver van informatieve aard. Dat is volgens de CRvB niet terecht: mede omdat aan het UWV een zekere beoordelingsruimte toekomt, is het een besluit.1 Op deze benadering is kritiek gekomen, omdat de mededeling van het UWV niet lijkt te voldoen aan de besluitdefinitie van artikel 1:3 Awb: ‘een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling’. Volgens de criticasters is de loonsanctie een mededeling die geen verandering brengt in de rechtstoestand, maar slechts wettelijke rechten en plichten in herinnering roept en dus geen rechtshandeling vormt.2 De vraag rijst of dat helemaal terecht is, want er treedt een publiekrechtelijk rechtsgevolg in met het verlengen van het loonbetalingstijdvak, namelijk de opschorting van de WIA-aanvraag van de werknemer (artikel 64 lid 7 WIA). Uit een oordeel van de CRvB volgt echter dat het opschortingsbesluit een separaat besluit is dat los wordt gezien van het loonsanctiebesluit.3
In afwijking van de Awb bedraagt de beslistermijn voor het UWV 13 weken.4 Het is de bedoeling dat het UWV de beschikking over loondoorbetalingsverlenging uiterlijk zes weken voor de afloop van de wachttijd afgeeft.5 Volgt de beschikking na afloop van de wachttijd dan is het UWV te laat. De werknemer is belanghebbende bij de beschikking, omdat zijn recht op loon door het besluit van het UWV wordt geraakt. Hij krijgt een afschrift.
Geen loonsanctie
Wordt in een tijdige beschikking geen loonsanctie opgelegd omdat de werkgever in de eerste twee jaar voldoende heeft gedaan, dan eindigt daarmee ook de mogelijkheid voor het UWV om sancties op te leggen. Dat is relevant omdat de werkgever verantwoordelijk blijft voor de re-integratie zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt.6 In een eventueel vervolgtraject van re-integratie hoeft de werkgever niet meer te vrezen voor een sanctie van het UWV. Het UWV neemt geen afzonderlijk besluit over het niet-opleggen van een loonsanctie. De vraag of in redelijkheid genoeg aan re-integratie is gedaan, is namelijk een voorvraag bij de behandeling van de WIA-aanvraag. De werknemer wordt er in zo’n geval pas bij een beschikking op zijn WIA-aanvraag mee geconfronteerd dat het UWV géén loonsanctie heeft opgelegd. Als hij dat onterecht vindt, staat voor hem echter geen bezwaar of beroep meer open. De CRvB ziet namelijk de beslissing om al dan niet een loonsanctie op te leggen en een besluit op een WIA-aanvraag als twee van elkaar te onderscheiden besluiten. Voor elk apart staat bezwaar en beroep open.7 De beslissing om geen loonsanctie op te leggen wordt echter niet schriftelijk genomen, noch wordt die anderszins aan de betrokkenen meegedeeld.
Meent de werknemer dus in een situatie dat een loonsanctie moet worden opgelegd dan moet hij daar zelf bij het UWV om vragen.8 Dat moet wel met een apart verzoek. Het aanvragen van een WAO/WIA is niet tegelijk aan te merken als een verzoek tot oplegging van een loonsanctie.9 Na een duidelijk verzoek tot het opleggen van een loonsanctie moet er een apart besluit daarover volgen, zelfs als de aanvraag om een loonsanctie pas in de bezwaarfase rond een WIA-aanvraag wordt gedaan.10 Is de werknemer het niet eens met een besluit tot het niet-opleggen van een loonsanctie (of het terugdraaien van een opgelegde loonsanctie na een werkgeversbezwaar) dan staat hem bezwaar of beroep open.11 Het bezwaar moet wel specifiek gericht zijn op het uitblijven van een loonsanctie. Uit het toekennen van een WAO/WIA-uitkering is bijvoorbeeld niets af te leiden over de loonsanctie: die toekenningsbeslissing werd wel eens gezien als een fictieve weigering om een loonsanctie op te leggen, om daarmee bezwaar en beroep tegen het uitblijven van een loonsanctie mogelijk te maken. De CRvB denkt daar anders over. Het besluit om een WAO/WIA-uitkering toe te kennen, is niet tegelijk een besluit om géén loonsanctie op te leggen.12
Fluit betwijfelt of de werknemer een procesbelang heeft omdat de termijn waarbinnen het UWV alsnog rechtsgeldig een loonsanctie zou kunnen opleggen, na werknemersbezwaar tegen het niet-opleggen van een loonsanctie normaal gesproken verstreken is. Het beoogde resultaat kan dan niet meer worden bereikt.13 De werknemer kan er door bezwaar en beroep belang bij hebben dat in een ontslagprocedure na twee jaar ziekte niet onherroepelijk vaststaat dat de werkgever (in bestuursrechtelijke zin) al het redelijke aan re-integratie zou hebben gedaan. Het ligt wel op zijn weg om feiten naar voren te brengen die voldoende grond opleveren voor het standpunt dat de werkgever is tekortgeschoten.14 Fluit wijst op uitspraken waaruit volgt dat, ook als een partij in het vooruitzicht van een arbeidsrechtelijke procedure belang heeft bij een rechterlijke uitspraak over de juistheid van het UWV-oordeel, toch moet worden aangenomen dat het rechtstreeks verband met de procedure over de WIA-beslissing ontbreekt.15 Vast staat in elk geval dat een ten onrechte niet-opgelegde loonsanctie het UWV wel kan verplichten tot het vergoeden van de schade aan de werknemer. In dat verband blijft de werknemer belang houden bij een beoordeling over het al dan niet opleggen van een loonsanctie. Ik zou menen dat het procesbelang daarmee afdoende gegeven is.
Wel loonsanctie
Komt het UWV tot de conclusie dat de werkgever onvoldoende inspanningen heeft gepleegd om de werknemer weer aan de slag te helpen, dan stelt het UWV in de beschikking het tijdvak vast van de verplichting tot voortzetting van de loondoorbetaling. Hoewel dat de mogelijkheid van maatwerk (en evenredigheid) lijkt te openen, gebeurt dat niet. In de beschikking zelf verlengt het UWV het tijdvak standaard met 52 weken.16 Bij het opleggen van een loonsanctie wordt de aanvraag van de WIA-uitkering opgeschort tot het moment dat het UWV heeft vastgesteld dat de tekortkoming is hersteld.17 Het slagen van (hoger) beroep tegen handhaving van het opschortingsbesluit heeft geen gevolgen voor het loonsanctiebesluit.18
Vanuit bestuursrechtelijke hoek zijn kanttekeningen geplaatst bij de loonsanctie die zich op het kruispunt van arbeidsrecht en sociaalverzekeringsrecht ophoudt. Die kritiek richt zich onder meer op de omstandigheid dat het UWV niet hoeft te duiden op welke wijze de werkgever zijn tekortkomingen moet opheffen. Op het UWV rust weliswaar de plicht aannemelijk te maken dat onvoldoende is gedaan, maar de motiveringsplicht in de loonsanctiebeschikking gaat volgens de CRvB niet zover dat het UWV de concrete stappen zou moeten formuleren die de werkgever nog moet nemen. De verantwoordelijkheid daarvoor blijft rusten bij de werkgever.19 Een dergelijke lichte motiveringseis is een afwijking van het algemene bestuursrecht. Een besluit moet zorgvuldig worden voorbereid (artikel 3:2 Awb) en deugdelijk worden gemotiveerd (artikel 3:46 Awb). Omdat het hier volgens de CRvB gaat om een reparatoire sanctie (artikel 5:2 lid 1 onder b Awb) moet bij de motivering een omschrijving worden opgenomen van te nemen herstelmaatregelen (artikel 5:24 lid 1 Awb). Die herstelmaatregelen moeten vanwege het rechtszekerheidsbeginsel duidelijk en onvoorwaardelijk zijn omschreven.20 Dat het UWV van de CRvB mag volstaan met algemene termen leidt in sommige gevallen tot strijd met dat vereiste.
Een andere kanttekening is dat de Awb bij een herstelsanctie een begunstigingstermijn kent, om te voorkomen dat het bestuursorgaan bestuursdwang gaat toepassen. Dit is een termijn die wordt gegeven zodat de belanghebbenden zelf voor herstel kunnen zorgen voordat een maatregel wordt toegepast. Bij de loonsanctie komt zo’n begunstigingstermijn alleen naar voren bij een WIA-aanvraag waarbij geen (volledig) re-integratieverslag is gevoegd. Die aanvraag wordt 13 weken voor einde wachttijd ingediend en het UWV stelt een termijn om alsnog aan de administratieve verplichting van een volledig re-integratieverslag te voldoen (artikel 25 lid 8 WIA, één week). Voor de inhoudelijke re-integratie-inspanningen geldt zo’n begunstigingstermijn niet. Dat is praktisch ook wel lastig want het UWV moet uiterlijk zes weken voor einde wachttijd een beschikking afgeven. In het huidige systeem is moeilijk in te passen om de werkgever een termijn te geven voor herstel van de inhoudelijke tekortkomingen binnen de beslistermijn van het UWV.21 Dat heeft wel tot gevolg dat de werkgever die verneemt dat hij tekortgeschoten is geen tijd krijgt voor dat herstel zonder daarvan enige nadelige gevolgen te ondervinden.22
Een ander kritiekpunt is dat de bestuursrechtelijk gebruikelijke ex nunc-toetsing niet wordt toegepast, zodat geen rekening wordt gehouden met na het primaire besluit gepleegde inspanningen of zelfs opheffing van tekortkomingen.23 Dat is mogelijk en hier wellicht ook begrijpelijk gelet op de specifieke bekortingsprocedure die bedoeld is om later gelegen inspanningen mee te wegen. Toch veronderstelt de invoering van een ex-tunc-toetsing, die afwijkt van de bestuursrechtelijke systematiek, een wettelijke grondslag. Die grondslag is door de CRvB ‘ingelezen’ in het stelsel van de Wet WIA, maar er wordt betwijfeld of dat voldoende is.24 Overigens is er geen sprake van een strikte ex tunc-toetsing: ook inspanningen die zijn gepleegd ná het primaire besluit maar voor het einde van de wachttijd mogen volgens de CRvB in bezwaar nog worden meegewogen.25