Einde inhoudsopgave
RvdW 2025/396
Veroordeling wegens overtreding artikel 197 Sr. Het oordeel van het hof dat de ongewenstverklaring van de Poolse verdachte ten tijde van het ten laste gelegde niet in strijd was met artikel 27 van de Richtlijn 2004/38/EG (Verblijfsrichtlijn) is niet zonder meer begrijpelijk.
HR 11-03-2025, ECLI:NL:HR:2025:325
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11 maart 2025
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, T. Kooijmans, R. Kuiper
- Zaaknummer
22/03410
- Conclusie
A-G mr. B.F. Keulen
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
Vreemdelingenrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:325, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑03‑2025
ECLI:NL:PHR:2024:1428, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 17‑12‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 21‑11‑2023
- Wetingang
Essentie
De verdachte, met de Poolse nationaliteit, wordt vervolgd wegens het verblijf in Nederland, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat hij tot ongewenst vreemdeling is verklaard (artikel 197 Sr). Het hof oordeelt dat de ongewenstverklaring ten tijde van het ten laste gelegde niet in strijd was met Richtlijn 2004/38/EG (Verblijfsrichtlijn), omdat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde op grond van zijn persoonlijke gedragingen een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van samenleving vormde als bedoeld in artikel 27 van die richtlijn. Dat oordeel is niet ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.