RvdW 2025/414:Art. 416 lid 2 Sv na veroordeling t.z.v. verkeersovertreding. Aanwezigheidsrecht, detentie uit anderen hoofde in Nederland gebleken uit een aan schriftuur gehecht bevel gevangenhouding van Rb (van 5 oktober 2023). Dagvaarding in hoger beroep (voor tz. van 10 oktober 2023) is uitgereikt aan autoriteit van welke zij is uitgegaan na vergeefse aanbieding van dagvaarding op BRP-adres van verdachte. Als dagvaarding van verdachte die is ingeschreven in BRP, geldig is betekend en verdachte niet op tz. is verschenen en zijn raadsman ook niet, kan rechter (behalve bij duidelijke aanwijzingen van tegendeel) uitgaan van vermoeden dat verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn aanwezigheid te worden berecht. Mogelijkheid bestaat echter dat achteraf moet worden vastgesteld dat aan recht van verdachte om in zijn aanwezigheid te worden berecht, is tekortgedaan. Dit kan zich voordoen als verdachte tijdens behandeling van zijn zaak i.v.m. andere strafzaak was gedetineerd zonder dat dit rechter bekend was. Aan herkomst en betrouwbaarheid van stuk dat in cassatie is overgelegd, behoeft in redelijkheid niet te worden getwijfeld. Uit dat stuk moet worden afgeleid dat verdachte tijdens behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep i.v.m. andere zaak was gedetineerd. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat dagvaarding om op tz. in h.b. te verschijnen rechtsgeldig maar niet in persoon is uitgereikt en op die tz. geen raadsman aanwezig was, is ’s hofs beslissing om tegen verdachte verstek te verlenen en onderzoek op tz. voort te zetten, achteraf bezien onjuist. Wegens groot belang van verdachte om bij behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn, moet verdachte de mogelijkheid worden geboden om zijn zaak alsnog in h.b. in zijn aanwezigheid te doen behandelen. Dit leidt ertoe dat ’s hofs uitspraak moet worden vernietigd en dat zaak moet worden teruggewezen opdat deze opnieuw wordt berecht en afgedaan. Volgt vernietiging en terugwijzing.