Einde inhoudsopgave
RvdW 2025/425
Erfrechtverordening. Rechterlijke bevoegdheid; subsidiaire bevoegdheid van gerechten van lidstaat waar zich goederen van de nalatenschap bevinden; beslissend moment.
HvJ EU 07-11-2024, ECLI:EU:C:2024:938 (Hantoch)
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
7 november 2024
- Magistraten
I. Jarukaitis, D. Gratsias, E. Regan
- Zaaknummer
C-291/23
- Conclusie
A-G M. Campos Sánchez-Bordona
- Roepnaam
Hantoch
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
Erfrecht / Algemeen
Burgerlijk procesrecht / Rechtspleging van onderscheiden aard
- Brondocumenten
ECLI:EU:C:2024:938, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 07‑11‑2024
- Wetingang
Art. 10 Verordening (EU) nr. 650/2021 (Erfrechtverordening)
Essentie
LS tegen PL.
Verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens art. 267 VWEU, ingediend door het Landgericht Düsseldorf (Duitsland) bij beslissing van 27 april 2023.
Erfrechtverordening. Rechterlijke bevoegdheid; subsidiaire bevoegdheid van gerechten van lidstaat waar zich goederen van de nalatenschap bevinden; beslissend moment.
Art. 10 lid 1 Erfrechtverordening moet aldus worden uitgelegd dat om te bepalen of de subsidiaire bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat waar goederen van de nalatenschap zich bevinden kan worden uitgeoefend teneinde uitspraak te doen over de erfopvolging in haar geheel, moet worden nagegaan of die goederen zich ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.