RvdW 2025/399:Poging tot doodslag op oude vrouw door kussen op haar gezicht te drukken, terwijl zij slaapt (art. 287 Sr). Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat niet verdachte de dader is maar onbekend gebleven man van wie ook DNA-materiaal is aangetroffen op kussen van aangeefster, art. 359 lid 2 Sv. Wat raadsvrouw ttz. in hoger beroep naar voren heeft gebracht over het op kussen aangetroffen DNA-materiaal van onbekend gebleven man en over mogelijkheid dat niet verdachte maar die onbekende man het kussen op gezicht van aangeefster heeft gedrukt, kan niet anders worden opgevat dan als standpunt dat duidelijk, door argumenten ondersteund en voorzien van ondubbelzinnige conclusie aan hof is voorgelegd. Hof is in zijn uitspraak van dit uos afgeweken door NFI-rapport over het met DNA van verdachte matchende DNA-materiaal op kussen van aangeefster voor bewijs te gebruiken en aan aangetroffen DNA-materiaal van onbekende andere man niet betekenis toe te kennen die verdediging daaraan geeft. Deze zaak kenmerkt zich hierdoor dat bewijs van daderschap van verdachte berust op het van hem aangetroffen DNA-materiaal op kussen van aangeefster, terwijl op dat kussen ook DNA-materiaal van onbekende andere man is aangetroffen. Hof heeft (o.g.v. zijn vaststellingen over manier waarop aangeefster met haar beddengoed omgaat en wie er toegang tot haar slaapkamer hebben) niet aannemelijk geacht dat DNA-materiaal van verdachte op kussen van aangeefster is terechtgekomen op manier die niet aan strafbaar feit is gerelateerd. Hof heeft echter niet gemotiveerd waarom dit anders zou zijn voor eveneens aangetroffen DNA-materiaal van onbekende andere man, terwijl die motivering (uitgaande van aanname van hof dat DNA-materiaal door het begaan van strafbaar feit op kussen terecht is gekomen) wel nodig was. In het verlengde daarvan heeft hof ook niet (aan de hand van deskundigenrapport waarin op activiteitenniveau over sporenbeeld is gerapporteerd of anderszins) gemotiveerd waarom scenario dat verdachte in slaapkamer ook DNA-materiaal van onbekende andere man heeft achtergelaten, waarschijnlijker is dan, omgekeerd, scenario dat onbekende andere man daar ook DNA-materiaal van verdachte heeft achtergelaten. Nu ook uit gebruikte bewijsmiddelen niet blijkt waarom hof is afgeweken van standpunt dat verdediging naar voren heeft gebracht, heeft hof in strijd met art. 359 lid 2 (tweede volzin) Sv daarvoor in onvoldoende mate de redenen opgegeven. Volgt vernietiging en terugwijzing.