Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/18.2.14:18.2.14 Beyond reasonable doubt? (Gradaties van bewijskracht)
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/18.2.14
18.2.14 Beyond reasonable doubt? (Gradaties van bewijskracht)
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940736:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 8 april 2022 (en in enkele arresten die hij daarna heeft gewezen) op grond van de onschuldpresumptie geoordeeld dat de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit buiten redelijke twijfel moet komen vast te staan. Voor het bewijs van de centrale stellingen is dus de gradatie ‘beyond reasonable doubt’ vereist, die inhoudelijk overeenkomt met ‘doen blijken’. Hoewel het arrest op zichzelf duidelijk lijkt, is het naar mijn mening aan te bevelen dat de wetgever deze rechtsregel codificeert en daarbij aangeeft wat de gevolgen van het vereisen van de zware bewijsgradatie precies zijn. In de eerste plaats zou het goed zijn dat de wetgever in Afdeling 2 van Hoofdstuk VIIIA van de AWR een algemene bepaling opneemt die inhoudt dat alle bestanddelen van het beboetbare feit – het kale beboetbare feit, de schuldgradatie en (in voorkomende gevallen) de kwaliteit van de boeteling – buiten redelijke twijfel moeten worden bewezen. Daarbij kan aansluiting worden gezocht bij de formulering van de zware bewijsgradatie in de bepalingen die de omkering en verzwaring van de bewijslast regelen (waarin een vervoeging van ‘blijken’ wordt gebruikt).1 In de tweede plaats is het wenselijk dat de wetgever expliciet aangeeft of de zware gradatie ook geldt voor verzuimboetes. Gelet op de jurisprudentie van het EHRM is het (waarschijnlijk) mogelijk om voor verzuimboetes een lagere bewijsgradatie te hanteren, maar het lijkt mij niet wenselijk om op dit punt een onderscheid te maken met vergrijpboetes. Bovendien heeft het er alle schijn van dat de Hoge Raad ervan uit gaat dat ook voor verzuimboetes de zware bewijsgradatie geldt. De Hoge Raad heeft na het arrest van 8 april 2022 bevestigd dat bij vergrijpboetes niet alleen de schuldgradatie, maar ook het kale beboetbare feit (als bestanddeel) buiten redelijke twijfel moet worden bewezen. Het is aan te bevelen dat de Hoge Raad bij gelegenheid de op dit punt gewenste duidelijkheid geeft door te overwegen dat de inspecteur bij verzuimboetes evenzeer het kale beboetbare feit ‘beyond reasonable doubt’ moet bewijzen. In de derde plaats bestaat er ten aanzien van de boetes wegens het te laat of in het geheel niet doen van aangifte bij aanslagbelastingen behoefte aan meer duidelijkheid. Bij dergelijke boetes moet immers worden vastgesteld dat de boeteling is uitgenodigd en is aangemaand. Het is van belang dat de wetgever (of – bij gelegenheid – de Hoge Raad) aangeeft of de verzending dan wel de ontvangst van een uitnodiging en een aanmaning als een bestanddeel van het beboetbare feit moet worden aangemerkt en (dus) of daarvoor ook de bewijsgradatie ‘beyond reasonable doubt’ geldt. In de vierde plaats geef ik de Hoge Raad in overweging om bij gelegenheid expliciet aan te geven dat in voorkomende gevallen ook de hoedanigheid van de boeteling (als bestanddeel) buiten redelijke twijfel moet worden bewezen, zowel bij verzuimboetes als bij vergrijpboetes.
Volgens de Hoge Raad is de omvang van de heffing geen bestanddeel van de delictsomschrijving en is de doorwerking naar de boetegrondslag een zuivere strafmaatkwestie. Voor de strafmaat geldt de onschuldpresumptie en (dus) de zware bewijsgradatie niet. Wat betreft het kale beboetbare feit ligt het daarom voor de hand dat de Hoge Raad van de inspecteur alleen vraagt om buiten redelijke twijfel te bewijzen dat er enig bedrag aan belasting ten onrechte buiten de heffing is gebleven. Als de omvang van de heffing (in de hoedanigheid van boetegrondslag) niet ‘beyond reasonable doubt’ is bewezen, roept dat bij vergrijpboetes echter aanvullende vragen op vanwege de grondslagkoppeling. Naar mijn mening is de gehele boetegrondslag immers onderdeel van de delictsomschrijving en moet de inspecteur dus ook de omvang van de heffing naar de zware gradatie bewijzen. In de sfeer van de heffing zal dat veelal niet zijn gebeurd.2