Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/2.6
2.6 Het algemene opschortingsrecht is van aanvullend recht
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950374:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Van Leuken, Van de Moosdijk & Tweehuysen 2017/24. Zie ook Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 1011 en Asser/Hijma 7-I 2019/577.
Aldus ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/8; Valk 2022a, aant. 4; Asser/Hijma 7-I 2019/577 en Linssen 1993, p. 176. Eveneens Hof Arnhem-Leeuwarden 18 augustus 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:6492 (“De artikelen 6:52 BW en 6:262 BW zijn van regelend recht.”); Hof Leeuwarden 29 juni 2010, ECLI:NL:GHLEE:2010:BN0797, r.o. 3; Rb. Rotterdam 12 april 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:1808, r.o. 4.30; Rb. Noord-Holland 6 april 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:2979, r.o. 5.3 en Rb. Midden-Nederland (vzr.) 13 juli 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:2802, r.o. 3.3. Zie ook Kamerstukken II 2014/15, 34071, nr. 3, p. 3. Vgl. ook Rb. Den Haag 29 april 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:6750, r.o. 4.11, die oordeelde dat art. 6:262 BW van regelend recht is. Vgl. anders bijv. art. 5:100 lid 2 en art. 5:105 lid 3 BW over het retentierecht van de respectievelijk erfpachter en opstaller, die van dwingend recht zijn.
Zie voor uitsluitingen bijv. Hof Amsterdam 18 april 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:977, r.o. 3.8; Hof Arnhem-Leeuwarden 7 maart 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2008, r.o. 3.7; Hof ’s-Hertogenbosch 13 december 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:4477, r.o. 3.6; Hof Den Haag 9 augustus 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1426, r.o. 6.11; Hof ’s-Hertogenbosch 1 oktober 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3605, r.o. 3.6.7; Rb. Zeeland-West-Brabant 21 juni 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:4776, r.o. 4.4; Rb. Rotterdam 12 april 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:1808, r.o. 4.30; Rb. Overijssel 4 april 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:2973, r.o. 5.1; Rb. Midden-Nederland 1 februari 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:334, r.o. 4.18; Rb. Amsterdam 21 december 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:8074, r.o. 4.13; Rb. Rotterdam 7 december 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:10686, r.o. 4.7; Rb. Midden-Nederland 2 november 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:4511, r.o. 4.2.4; Rb. Midden-Nederland 7 september 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:3615, r.o. 7.3; Rb. Rotterdam 7 september 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:8133, r.o. 4.12; Rb. Noord-Nederland 16 augustus 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:3193, r.o. 2.11 en Rb. Midden-Nederland (vzr.) 13 juli 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:2802, r.o. 3.3. Zie bijv. ook Rb. Amsterdam (vzr.) 25 juli 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:8751, r.o. 4.5, waarin partijen het opschortingsrecht uit hoofde van art. 6:52 lid 1 BW contractueel hadden uitgesloten, althans contractueel hadden beperkt. Zie voor een van de wet afwijkende opschortingsregeling bijv. Hof Amsterdam 14 maart 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:579, r.o. 3.8; Rb. Noord-Holland 6 april 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:2979, r.o. 5.3 en Rb. Midden-Nederland 21 juni 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:6783, r.o. 2.10. Zie voor een verruiming bijv. Rb. Rotterdam 28 juli 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:6795, r.o. 6.6.
HR 4 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2517, NJ 2017/384, m.nt. Jac. Hijma (CIA/Heredium), r.o. 4.5.
HR 21 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0345, NJ 2013/155, m.nt. M.R. Mok (ANVR/IATA), r.o. 3.9. Zie bijv. Rb. Amsterdam 21 december 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:8074, r.o. 4.13.
Zie bijv. Hof Amsterdam 18 april 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:977, r.o. 3.8; Hof ’s-Hertogenbosch 13 september 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3141, r.o. 3.65; Rb. Rotterdam 12 april 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:1808, r.o. 4.30; Rb. Overijssel 2 februari 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:469, r.o. 1.10; Rb. Gelderland 9 maart 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:1413, r.o. 5.11; Rb. Noord-Holland 9 maart 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:4088, r.o. 4.16; Rb. Midden-Nederland 5 januari 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:10, r.o. 3.8-3.9; Rb. Noord-Nederland 27 oktober 2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:5474, r.o. 4.6 en Rb. Limburg (vzr.) 15 mei 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:3084, r.o. 2.6 en 4.7.1 voor uitsluiting van een opschortingsbevoegdheid in algemene voorwaarden.
Zie voor een b2b-voorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch 13 september 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3141, r.o. 3.65. Vgl. voorts Rb. Zeeland-West-Brabant 1 februari 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:734, r.o. 4.14, waarin een opschortingsverbod in de Metaalunievoorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is geoordeeld.
Zie bijv. Rb. Midden-Nederland 5 januari 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:10, r.o. 3.8-3.9 en Rb. Overijssel 16 november 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:4376, r.o. 2.8. Zie uitvoeriger over een in algemene voorwaarden opgenomen, van de wettelijke regeling afwijkende opschortingsregeling Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/9 en Asser/Sieburgh 6-1 2020/282. Niet vernietigbaar is het beding waarin geen verdergaande opschortingsbevoegdheid is opgenomen dan volgens de wet is toegestaan (Rb. Zeeland-West-Brabant 10 mei 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:4628, r.o. 4.10.1).
Hondius 2019, aant. 4.3.1. Met de Richtlijn oneerlijke bedingen bedoel ik Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.
HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, NJ 2014/274, m.nt. H.B. Krans (Heesakkers/Voets).
Zie bijv. Rb. Midden-Nederland 25 februari 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:678, r.o. 4.4; Rb. Noord-Holland 7 juli 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:12877, r.o. 5.10-5.12 en Rb. Limburg (vzr.) 18 juli 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:6978, r.o. 5.5.
Zie voor de b2c-verhouding ook Wissink 2022, p. 589.
Castermans & Krans 2023, aant. 1, onderdeel b. Zo ook Asser/Hijma 7-I 2019/132 en 577 met verwijzing naar de parlementaire geschiedenis, die overigens beargumenteert dat opschortingsrechten wel onder de in art. 7:6 BW bedoelde rechten zouden moeten worden begrepen.
Vgl. § 2.5.4.
HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3072, NJ 2015/85, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Eurostrip/Newa), r.o. 4.3. Zie ook HR 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2005, NJ 2021/9, m.nt. red. aant. (Van Noort Gassler) en HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1086, RvdW 2006/1151 (City Centrum Noviomagum), r.o. 3.6. Zie bijv. Hof Amsterdam 5 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:16, r.o. 3.9; Hof ’s-Hertogenbosch 2 februari 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:281, r.o. 3.13.3; Rb. Overijssel 3 juni 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:1906, r.o. 7.2 en Rb. Overijssel 13 februari 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:1196, r.o. 8.31. Vgl. Rb. Gelderland 28 september 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:5403, r.o. 7.15-7.16, waarin de rechtbank de in een overeengekomen verrekeningsverbod opgenomen bepaling dat de facturen ‘zonder enige inhouding of korting’ moeten worden betaald, uitlegde als een uitsluiting van een beroep op opschorting.
Zie ook § 2.5.3, § 2.5.4, § 6.3.2.1 en § 6.3.2.2.
Zie § 3.7 en § 4.6.1.
De algemene opschortingsregeling is van aanvullend of regelend recht. Of partijen met een overeengekomen opschortingsregeling van de algemene opschortingsregeling zijn afgeweken is een kwestie van uitleg. Afwijkingen kunnen ook in algemene voorwaarden worden overeengekomen. Voor zover afwijkingen in algemene voorwaarden onredelijk bezwarend of oneerlijk zijn, zijn zij op vordering van de schuldenaar vernietigbaar of dienen zij, in geval van een consument-schuldenaar, ambtshalve te worden vernietigd. Een overeengekomen verrekeningsverbod staat niet aan een opschortingsrecht op grond van artikel 6:52 lid 1 BW in de weg.
Het verbintenissenrecht is van aanvullend recht, behoudens voor zover uit de wet anders voortvloeit of de positie van derden bij een wettelijke regel is betrokken.1 De algemene opschortingsregeling is geheel van aanvullend of regelend recht.2 Partijen kunnen overeenkomen deze opschortingsregeling uit te sluiten, te beperken of te verruimen.3 Ook kunnen partijen bij overeenkomst de rechtsgevolgen van het algemene opschortingsrecht nader regelen of uitsluiten.4 Voor zover niet van de wet is afgeweken, resteren de algemene opschortingsregeling en de rechtsgevolgen van het algemene opschortingsrecht naast de overeengekomen opschortingsregeling. Of met een overeengekomen regeling van een bepaling van aanvullend recht is afgeweken, is een kwestie van uitleg van de afspraak. In een zaak waarin onder andere de vraag aan de orde was of partijen een van de in artikel 6:263 BW geregelde onzekerheidsexceptie afwijkende afspraak hadden gemaakt, heeft de Hoge Raad dienaangaande overwogen:
“Voor het antwoord op de vraag of een bepaalde contractuele regeling een bepaling van regelend recht geheel of gedeeltelijk opzij zet, is niet slechts van belang of zulks in de tekst van die regeling met zoveel woorden is bepaald. Het betreft een uitlegkwestie waarbij alle omstandigheden van het geval van belang zijn, zoals het doel en de strekking van de desbetreffende contractuele regeling, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen (vgl. HR 20 februari 2004, LJN AO1427, NJ 2005/493).”5
Uitsluitingen, beperkingen of verruimingen van de wettelijke opschortingsregeling vinden hun grens in artikel 3:40 BW en de redelijkheid en billijkheid.
Afwijkingen van de algemene opschortingsregeling kunnen ook in algemene voorwaarden worden overeengekomen.6 Een van die opschortingsregeling afwijkend beding in algemene voorwaarden is vernietigbaar als die op grond van artikel 6:233 aanhef en onderdeel a BW onredelijk bezwarend is voor de schuldenaar.7 Dat geldt in zowel b2b- als b2c-verhoudingen.8 Voor zover een beperking of uitsluiting van een opschortingsrecht door een gebruiker in zijn algemene voorwaarden is opgenomen ten nadele van de consument-schuldenaar, wordt een dergelijk beding op grond van artikel 6:236 aanhef en onderdeel c BW als onredelijk bezwarend aangemerkt. Een dergelijk beding is vernietigbaar.9 Eveneens kan een van de wettelijke regeling afwijkend opschortingsbeding op grond van artikel 3 lid 3 van de Richtlijn oneerlijke bedingen en onderdeel o van de bij dat artikel behorende bijlage als oneerlijk worden aangemerkt.10 De Hoge Raad heeft overwogen dat de rechter ambtshalve dient te onderzoeken of een beding oneerlijk is als bedoeld in deze richtlijn en dat de rechter, wanneer hij vaststelt dat dit zo is, in beginsel gehouden is het beding te vernietigen op grond van artikel 6:233 aanhef en onderdeel a BW.11 Onder verwijzing naar deze uitspraak is een beperking van de wettelijke opschortingsregeling in algemene voorwaarden ambtshalve onredelijk bezwarend geoordeeld.12 Na vernietiging van het opschortingsbeding in de algemene voorwaarden, kan de schuldenaar zich in voorkomend geval op de algemene opschortingsregeling beroepen.13 Een verruiming van de algemene opschortingsregeling ten gunste van de consument-schuldenaar in algemene voorwaarden is wel toegestaan.
Bij een consumentenkoop kan van de afdelingen 1 tot en met 7 van titel 1 van Boek 7 BW niet ten nadele van de koper worden afgeweken en kunnen de rechten en vorderingen die de wet aan de koper ter zake van een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen van de verkoper toekent, niet worden beperkt of uitgesloten (art. 7:6 lid 1 BW). Op grond van dit artikel is het in artikel 7:27 BW in afdeling 7.1.4 BW geregelde opschortingsrecht van dwingend recht. Een in een consumentenkoop overeengekomen verruiming van artikel 7:27 BW is wel toegestaan. De algemene opschortingsregeling is in geval van een consumentenkoop niet van dwingend recht, omdat artikel 7:6 lid 1 BW refereert aan een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen door de verkoper en een tekortkoming geen vereiste is voor een opschortingsrecht op grond van artikel 6:52 BW.14
Soms wordt een overeengekomen verrekeningsverbod verward met een overeengekomen opschortingsverbod. Mogelijk ontstaat deze verwarring door de regelmatig gebruikte uitdrukking ‘opschorting ter verrekening’, waarmee doorgaans het geval wordt bedoeld waarin de schuldenaar de nakoming van zijn betalingsverplichting opschort in verband met zijn betalingsvordering en voornemens is een verrekeningsverklaring uit te brengen als de omvang van de verbintenissen over en weer vaststaat.15 De Hoge Raad heeft overwogen dat een verrekeningsverbod niet aan een opschortingsbevoegdheid in de weg staat:
“Nu het hof niet het tegendeel heeft vastgesteld, moet in cassatie veronderstellenderwijs ervan worden uitgegaan dat het bestaan van de tegenvordering van Eurostrip voorshands aannemelijk is en dat die vordering haar beroep op een opschortingsrecht rechtvaardigt (vgl. HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9610, NJ 2009/50, rov. 4.6). In dat geval valt niet in te zien waarom Eurostrip niet haar verplichting tot betaling zou mogen opschorten totdat haar tegenvordering wordt voldaan. Het verrekeningsverbod brengt in dit verband immers slechts mee dat – indien een schadevergoedingsverplichting van Newa komt vast te staan – Eurostrip zich niet geheel of ten dele van haar betalingsverplichting kan kwijten door het uitbrengen van een verrekeningsverklaring. Dit staat echter los van haar bevoegdheid tot opschorting, die immers ertoe strekt pressie uit te oefenen opdat de haar toekomende schadevergoeding wordt voldaan. Die opschortingsbevoegdheid wordt dan ook niet beïnvloed door het verrekeningsverbod.”16
Voor zover de schuldenaar opschort met het oog op een eventuele verrekening, terwijl partijen een verrekeningsverbod zijn overeengekomen, betekent dit niet dat het eventueel onhaalbare oogmerk van invloed is op zijn opschortingsbevoegdheid. Door middel van opschorting beoogt de schuldenaar immers zijn wederpartij tot nakoming te bewegen en het uitbrengen van een verrekeningsverklaring door de schuldenaar zou een vorm van nakoming door hemzelf zijn.17
Dit proefschrift gaat voor het overige niet of nauwelijks in op overeengekomen afwijkingen van de algemene opschortingsregeling. Het aanvullende karakter van het algemene opschortingsrecht komt onder andere nog wel aan de orde bij de behandeling van het samenhangcriterium.18