Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel
Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/4:Hoofdstuk 4 De doorwerking van Unierechtelijke beginselen in het nationale recht
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/4
Hoofdstuk 4 De doorwerking van Unierechtelijke beginselen in het nationale recht
Documentgegevens:
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS362975:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het recht van de Europese Unie kan doorwerken in het nationale recht. Alleen als het kenbaarmakingsbeginsel, een Unierechtelijk beginsel, doorwerkt kan een belanghebbende in een Nederlandse fiscale procedure een beroep hierop doen. Daarom onderzoek ik in dit hoofdstuk de doorwerking van Unierechtelijke beginselen in algemene zin. Voor die doorwerking moet sprake zijn van het ten uitvoer brengen van het Unierecht. Kennis van de doorwerking van het Unierecht en het kenbaarmakingsbeginsel is noodzakelijk om te kunnen beoordelen in hoeverre het Nederlandse (fiscale) bestuursrecht aan het kenbaarmakingsbeginsel voldoet. In paragraaf 4.1 wordt eerst algemeen ingegaan op de wijze van doorwerking van het Unierecht in het nationale recht. In de paragrafen 4.2 en 4.3 bespreek ik de Wachauf-lijn en de ERT-lijn. Als een situatie onder één van deze lijnen valt, wordt in die situatie het Unierecht ten uitvoer gebracht. In paragraaf 4.4 besteed ik aandacht aan de vraag of er naast de Wachauf-lijn en de ERT-lijn nog sprake is van een derde lijn, oftewel van een derde categorie zaken, waarbij het Unierecht ten uitvoer wordt gebracht. In paragraaf 4.5 wordt onderzocht of het Unierecht ook ten uitvoer kan worden gebracht als alle elementen van een specifieke zaak zich in slechts één lidstaat afspelen. In paragraaf 4.6 onderzoek ik de door het Hof van Justitie in de zaak Annibaldi geformuleerde ondergrens van het ten uitvoer brengen van het Unierecht. In paragraaf 4.7 wordt de zaak Åkerberg Fransson besproken, waarbij zal blijken dat in dit arrest de verschillende lijnen samenkomen. In paragraaf 4.8 wordt bezien of artikel 51 van het Handvest duidelijkheid kan verschaffen over de vraag wanneer het Unierecht ten uitvoer wordt gebracht. Het hoofdstuk sluit ik af met een samenvatting en een conclusie.
4.1 De doorwerking van Unierechtelijke beginselen in het algemeen4.2 De Wachauf-lijn4.3 De ERT-lijn4.4 Derde lijn4.5 Alles binnen één lidstaat4.6 De Annibaldi-ondergrens4.7 Alles komt samen in Åkerberg Fransson4.8 Artikel 51 van het Handvest4.9 Samenvatting en conclusie