Einde inhoudsopgave
Transparante en eerlijke verdeling (Meijers-reeks) 2015/3.2
3.2 Definitie en reikwijdte van het transparantiebeginsel
A. Drahmann, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
A. Drahmann
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Voetnoten
Voetnoten
O.a. Hof Arnhem 7 augustus 2012, LJN: BX4609, Hof Arnhem 30 oktober 2012, LJN: BY2248, Vz. Rb. Arnhem 13 juni 2012, LJN: BX3549 t/m BX3551, Vz. Rb. Leeuwarden 5 juli 2012, LJN: BX2163, Vz. Rb. Haarlem 14 juni 2012, LJN: BX0160, Vz. Rb. Den Bosch 18 juni 2012, LJN: BW8668, Vz. Rb. Arnhem 11 mei 2012, LJN: BW7823, Vz. Rb. Almelo 4 juni 2012, LJN: BW7664, Vz. Rb. Utrecht 7 september 2012, LJN: BX6236, Vz. Rb. Dordrecht 18 oktober 2012, LJN: BY0431, Vz. Rb. Groningen 2 november 2012, LJN: BY2168, Vz. Rb, Rotterdam 10 mei 2012, LJN: BW5760, Vz. Rb. Zutphen 1 maart 2012, LJN: BW5058, Vz. Rb. Arnhem 3 februari 2012, LJN: BV6312, Vz. Rb. Groningen 1 februari 2012, LJN: BV3104, Vz. Rb. Arnhem 24 januari 2012, LJN: BV3641.
HvJ EG 29 april 2004, nr. C-496/99 (Succhi di Frutta).
HR 4 november 2005, NJ 2006/204, m.nt. M.R. Mok (Meubelfabriek Gebroeders Van der Stroom), r.o. 4.3.2.
HR 7 december 2012, LJN: BW9231, TBR 2013/33, m.nt. B.J.H. Blaisse-Verkooyen en LJN: BW9233.
HR 7 december 2012, LJN: BW9231, TBR 2013/33, m.nt. B.J.H. Blaisse-Verkooyen en LJN: BW9233.
In cassatie werd betoogd dat een afweging gemaakt had moeten worden tussen ’het, de gehele aanbesteding omvattende en ook ten bate van de overige inschrijvers werkende, gelijkheidsbeginsel enerzijds en het, slechts ten bate van KPN als inschrijver werkende, transparantiebeginsel anderzijds.’ Het hof zou hebben miskend dat het gelijkheidsbeginsel mede zou strekken tot waarborging van het level playing field en van concurrentie in de aanbesteding en daarom niet (zonder meer) opzij zou kunnen worden gezet door het transparantiebeginsel. Het onderdeel faalt. De Hoge Raad oordeelt dat het onderdeel eraan voorbij ziet dat het transparantiebeginsel voortvloeit uit het beginsel van gelijke behandeling en dat het onderdeel dus uitgaat van een tegenstelling tussen bedoelde beginselen die geen steun vindt in het recht (HR 7 december 2012, LJN: BW9231, TBR 2013/33, m.nt. B.J.H. Blaisse-Verkooyen). In cassatie werd ook geklaagd dat het hof blijk zou hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over de betekenis en reikwijdte van het transparantiebeginsel en over de verhouding tussen dit beginsel en het gelijkheidsbeginsel. Ook dit onderdeel faalt. De Hoge Raad overweegt dat de eisen die voortvloeien uit het transparantiebeginsel worden gesteld aan de aanbestedende dienst en aan het door haar opgestelde aanbestedingsbericht of bestek. Deze eisen gelden onafhankelijk van het door het onderdeel gemaakte onderscheid tussen inschrijvers die de regels van gelijkheid en level playing field in acht nemen, en inschrijvers die deze regels juist schenden (HR 7 december 2012, LJN: BW9233).
Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten en Richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten.
Vgl. HvJ EU 3 juni 2010, AB 2011/17, m.nt. A. Buijze en HvJ EU 19 juli 2012, AB 2012/324, m.nt. A. Drahmann. Zie tevens A. Drahmann, ’Uitdijing van de werking van het transparantiebeginsel: van concessies naar vergunningen? Een beschouwing naar aanleiding van het Betfair-arrest’, NTB 2012/25.
De Vz. Rb. Den Haag omschrijft een aanbestedingsprocedure ’als een al dan niet gelijktijdige uitnodiging van een aanbesteder aan twee of meer ondernemers om een inschrijfcijfer in te dienen voor de uitvoering van een opdracht tot het leveren van goederen en het verrichten van diensten met inbegrip van het uitvoeren van werken. Een private opdrachtgever die voor een bepaalde opdracht aan verschillende bedrijven gelijktijdig offertes vraagt kan onder deze definitie vallen, maar het gaat evenwel te ver om in alle gevallen de private opdrachtgever onder het aanbestedingsrecht te laten vallen. Of dit al dan niet het geval is hangt af van de omstandigheden van het geval’. De Vz. concludeert dat, ondanks het gebruik van enkele aanbestedingsrechtelijke termen, geen aanbestedingsprocedure is uitgeschreven, maar een uitnodiging is gedaan om in onderhandeling te treden (Vz. Rb. Den Haag 26 januari 2012, LJN: BV7044).
De Vz. Rb. Amsterdam overweegt dat de fundamentele beginselen van het aanbestedingsrecht de grondregels vormen voor het voeren van een aanbestedingsprocedure. De regels waken er onder meer voor dat de private aanbesteder de inschrijvingen, waarvoor veelal aanzienlijke kosten zijn gemaakt, willekeurig beoordeelt. De door Rochdale uitgenodigde inschrijvers mochten dan ook vooraf redelijkerwijs de verwachting hebben dat Rochdale als private aanbesteder die beginselen in acht zou nemen (Vz. Rb. Amsterdam 29 mei 2012, LJN: BX1677). De Vz. Rb. Leeuwarden voegt hier in het kader van een private aanbesteding door een kerkgenootschap nog aan toe dat de fundamentele beginselen van het aanbestedingsrecht er onder meer tegen waken dat de private aanbesteder de inschrijvingen, waarvoor veelal aanzienlijke kosten zijn gemaakt, louter gebruikt als pressiemiddel jegens de partij die zij bij voorbaat heeft uitverkozen als toekomstige contractspartij. (Vz. Rb. Leeuwarden 3 oktober 2012, LJN: BX9015). Zie tevens Vz. Rb. Den Haag 19 juni 2012, LJN: BW9894 en Vz. Rb. Breda 17 oktober 2012, LJN: BY0511 en BY1183.
Vz. Rb. Zutphen 22 mei 2012, LJN: BW6294. Zie ook A.A. Boot en J.C. van Haersolte, ’Projectontwikkeling in de vuurlinie van aanbestedingsrecht en staatssteun’, TBR 2012/179. Bij de toewijzing van standplaatsen aan kermisexploitanten door middel van het sluiten van een huur/pachtovereenkomst was volgens het Hof Den Bosch niet aannemelijk gemaakt dat het aanbestedingsrecht van toepassing zou zijn (Hof Den Bosch 22 maart 2011, LJN: BY3289). In dit verband wijs ik er ook op dat de ABRvS in een bestemmingsplanprocedure niet beoordeeld of sprake is van strijd met het transparantiebeginsel. Een appellant betoogde dat hij ten onrechte niet dezelfde kansen had gekregen als de nieuwe eigenaar om het perceel aan te kopen. De gemeenteraad zou hiermee in strijd hebben gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het gelijkheids- en transparantiebeginsel. De ABRvS oordeelt dat in het kader van de bestemmingsplanprocedure moet worden beoordeeld of het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd is met het recht. De aangevoerde bezwaren hebben evenwel betrekking op de privaatrechtelijke (verkoop)procedure voorafgaand aan de vaststelling van het plan. De ABRvS geeft geen oordeel over de rechtmatigheid van de privaatrechtelijke procedure en de privaatrechtelijke overeenkomst, ter zake waarvan de burgerlijke rechter bevoegd is. Deze beroepsgronden kunnen niet de rechtmatigheid van het plan aantasten. (ABRvS 22 augustus 2012, LJN: BX5285).
Artikel 1.9 (voor Europese aanbestedingen) en artikel 1.12 (voor nationale aanbestedingen).
In diverse uitspraken wordt een beschrijving van het transparantiebeginsel gegeven.1 Hierbij wordt meestal verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 29 april 2004 (Succhi di Frutta)2 en het arrest van de Hoge Raad van 4 november 2005.3 Op 7 december 2012 heeft de Hoge Raad een tweetal arresten gewezen waarvan er één elders in deze editie geannoteerd is door Babette Blaisse-Verkooyen. In deze arresten worden de overwegingen uit 2005 gedeeltelijk herhaald en wordt het transparantiebeginsel als volgt omschreven:
’Het beginsel van gelijke behandeling van de inschrijvers strekt ertoe de ontwikkeling van een gezonde en daadwerkelijke mededinging tussen de aan de aanbestedingsprocedure voor een overheidsopdracht deelnemende ondernemingen te bevorderen, en vereist dat alle inschrijvers bij het opstellen van het in hun offertes gedane voorstel dezelfde kansen krijgen: voor alle mededingers moeten dezelfde voorwaarden gelden. Het transparantiebeginsel strekt, in samenhang daarmee, ertoe te waarborgen dat elk risico van favoritisme en willekeur door de aanbestedende dienst wordt uitgebannen en impliceert dat alle voorwaarden en modaliteiten van de gunningsprocedure in het aanbestedingsbericht of in het bestek worden geformuleerd op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze opdat, enerzijds, alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte kunnen begrijpen en deze op dezelfde manier interpreteren, en, anderzijds, de aanbestedende dienst in staat is om metterdaad na te gaan of de offertes van de inschrijvers beantwoorden aan de criteria welke op de betrokken opdracht van toepassing zijn. Een en ander brengt niet alleen mee dat alle aanbieders gelijk worden behandeld, maar ook dat zij in gelijke mate, mede met het oog op een goede controle achteraf, een duidelijk inzicht moeten hebben in de voorwaarden waaronder de aanbesteding plaatsheeft, zoals de selectiecriteria.
In zijn arrest van 24 januari 2008, C-532/06, (…) NJ 2008/307 (Lianakis/Alexandroupolis) heeft het HvJEU de in dit verband op de aanbestedende dienst rustende verplichting aldus verwoord dat een aanbestedende dienst geen afwegingsregels of subcriteria voor de gunningscriteria kan toepassen die hij niet vooraf ter kennis van de inschrijvers heeft gebracht (punt 38.).’4
De Hoge Raad voegt hier vervolgens aan toe dat dit zowel geldt voor gunningscriteria als uitsluitingsgronden:
’Gelet op het belang van het transparantiebeginsel voor aanbestedingsprocedures, moet worden aangenomen dat de door het HvJEU aanvaarde, op de aanbestedende dienst rustende, verplichting om de gunningscriteria in de aanbestedingsdocumenten te vermelden, ook geldt ten aanzien van de uitsluitingsgronden die de aanbestedende dienst – indien daartoe aanleiding is – kan inroepen (met dien verstande dat deze dienst zich in voorkomende gevallen mede kan beroepen op uitsluitingsgronden die dwingend zijn voorgeschreven in art. 45 lid 1 Richtlijn 2004/18/EG). Een andere opvatting zou tot een willekeurige toepassing van de facultatieve uitsluitingsgronden kunnen leiden en daarmee een gelijke behandeling van de inschrijvers in gevaar kunnen brengen.’5
Daarnaast overweegt de Hoge Raad dat het transparantiebeginsel voortvloeit uit het beginsel van gelijke behandeling. Er is dus geen sprake van een tegenstelling tussen deze beginselen.6
Het transparantiebeginsel is van toepassing op aanbestedingsplichtige opdrachten waarop het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten (Bao) en het Besluit aanbestedingen speciale sectoren (Bass) van toepassing zijn. Daarnaast blijkt uit jurisprudentie van het Hof van Justitie dat het transparantiebeginsel niet alleen uit de aanbestedingsrichtlijnen7 voortvloeit, maar rechtstreeks uit het vweu. Daarom moet het transparantiebeginsel ook in acht worden genomen als sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang bij concessieverlening, opdrachten voor zogenaamde B-diensten, aanbestedingen onder de door de Europese Commissie vastgestelde drempelwaarden en bepaalde soorten vergunningstelsels.8
Er kan door private partijen ook vrijwillig gekozen worden om een aanbestedingsprocedure te volgen.9 In dat geval heeft zo’n partij zich te gedragen overeenkomstig de in de precontractuele fase geldende maatstaven van redelijkheid en billijkheid en die maatstaven houden in elk geval in de eerbiediging van de fundamentele beginselen van het aanbestedingsrecht, zoals het transparantiebeginsel.10 Ook als een gemeente grond verkoopt en besluit daarvoor een openbare biedprocedure te organiseren, is sprake van een private aanbesteding.11
Het Bao en Bass zullen (naar verwachting) op 1 april 2013 worden vervangen door de Aanbestedingswet 2012. Het transparantiebeginsel is ook in de Aanbestedingswet 2012 gecodificeerd.12 De hierna te bespreken uitspraken over het transparantiebeginsel blijven daarom ook na inwerkingtreding van de Aanbestedingswet 2012 relevant.