Einde inhoudsopgave
Transparante en eerlijke verdeling (Meijers-reeks) 2015/4.3.5
4.3.5 Waar leidt een geslaagd beroep op het transparantiebeginsel toe?
A. Drahmann, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
A. Drahmann
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Voetnoten
Voetnoten
Vz. Rb. Den Bosch 10 juli 2012, LJN: BX2394. Ook in andere procedures werd een vordering tot heraanbesteding toegewezen. O.a. Vz. Rb. Haarlem 14 juni 2012, LJN: BX0160, Vz. Rb. Zwolle 27 juni 2012, LJN: BW9819, Vz. Rb, Rotterdam 10 mei 2012, LJN: BW5760 en Vz. Rb. Amsterdam 18 augustus 2011, LJN: BR6264.
Vz. Rb. Leeuwarden 3 oktober 2012, LJN: BX9015. Vgl. Vz. Rb. Den Haag 25 juli 2012, LJN: BX3356.
Vgl. Vz. Rb. Den Haag 13 november 2012, LJN: BY5065 en Vz. Rb. Arnhem 3 februari 2012, LJN: BV6312. In Vz. Rb. Zwolle 12 november 2012, LJN: BY3162 werd de aanbestedende dienst verboden om de opdracht aan een ander te gunnen dan de eiser. Ook het Hof Arnhem (Hof Arnhem 9 oktober 2012, LJN: BX9806) oordeelde in een procedure dat een vordering om de aanbestedende dienst te gebieden de opdracht aan een andere inschrijver te gunnen niet kon worden toegewezen omdat de te nemen gunningsbeslissing afhankelijk was van een nog te voeren verificatiebespreking met die inschrijver. De aanbestedende dienst werd wel verboden uitvoering te geven aan het voornemen tot gunning van de opdracht.
Vz. Rb, Rotterdam 10 mei 2012, LJN: BW5760 en Vz. Rb. Den Haag 24 januari 2012, LJN: BV1636 en BV1638. In die laatste uitspraak oordeelt de Vz. dat waar de Vz. oordeelt dat de aanbestedende dienst in strijd met het aanbestedingsrecht dreigt te handelen, respectievelijk handelt er in beginsel geen plaats is voor een belangenafweging, omdat een dergelijke belangenafweging ten koste gaat van een effectieve rechtsbescherming van de klagende inschrijver(s). Dit zou uitzondering kunnen lijden in het geval van bijzondere belangen. Het gestelde belang bij snelle afhandeling in verband met de oplopende kosten acht de voorzieningenrechter niet een bijzonder belang. Het belang van de veiligheid van de Nederlandse politiefunctionaris zou onder omstandigheden een bijzonder belang kunnen zijn, maar meegedeeld was dat de veiligheid en operationele inzetbaarheid van de pistolen vooralsnog gegarandeerd is.
Vgl. Vz. Rb. Maastricht 27 februari 2012, LJN: BV7037 en Vz. Rb. Zutphen 1 maart 2012, LJN: BW5058.
Vgl. Vz. Rb. Den Haag 14 augustus 2012, LJN: BX7535, waarin geconcludeerd werd dat er gegronde reden bestond om te twijfelen aan de geldigheid van de inschrijving die leidde tot de voorlopige gunningsbeslissing. Nader onderzoek hiernaar was nodig. De Vz. gebiedt de aanbestedende dienst om binnen 48 uur de voorlopige gunningsbeslissing in te trekken.
O.a. Vz. Rb. Den Haag 17 februari 2012, LJN: BV8342.
De Vz. voegt daar nog aan toe dat een nieuwe commissie zal moeten worden geformeerd. De leden daarvan dienen dezelfde achtergrond c.q. inhoudelijke kennis van de onderhavige materie te hebben als de ’oude’ beoordelingscommissie. In beginsel is het aan de aanbestedende dienst om die commissie samen te stellen. De Vz. geeft echter aan dat de commissie – voor zover mogelijk – dient te bestaan uit personen die betrokken zijn geweest bij de gunning c.q. verstrekking van eenzelfde c.q. vergelijkbare opdracht in een andere regio/ gemeente binnen de provincie Zuid-Holland (Vz. Rb. Den Haag 19 juni 2012, LJN: BW9894).
Vz. Rb. Arnhem 2 augustus 2012, LJN: BX7020.
De Vz. Rb. Den Haag concludeerde dat op grond van het transparantiebeginsel een brief van de aanbestedende dienst en de reacties daarop buiten beschouwing moesten blijven. De voorlopige gunningsbeslissing moest uitsluitend worden gebaseerd op de oorspronkelijk ingediende inschrijvingen. Niet in geschil was wie dan als winnaar uit de bus zou komen. Omdat de aanbestedende dienst voornemens was de opdracht ook definitief aan die partij te gunnen, werden alle vorderingen afgewezen (Vz. Rb. Den Haag 13 september 2012, LJN: BX7357). Zie ook Vz. Rb. Den Haag 27 maart 2012, LJN: BW0018, waarin het introduceren van een alternatieve gunningssystematiek kort voor de sluiting van de inschrijftermijn een verbod op gebruikmaking van die alternatieve gunningssystematiek tot gevolg had.
Vz. Rb. Utrecht 7 september 2012, LJN: BX6236.
Vz. Rb. Rotterdam 7 februari 2012, LJN: BV3091.
Vz. Rb. Amsterdam 29 mei 2012, LJN: BX1677. De Vz. begroot het voorschot als volgt: ’Bij de gestelde personeelskosten van de portefeuille van Rochdale (C = 70.000) kan een jaarlijkse winst voor [X] worden geschat van C= 10.000. De opdracht zou worden verworven voor (bij de te verwachten verlengingen) drie jaar en zou dan ongeveer een drie keer zo grote omvang hebben. 3 x 3 x 10.000 = 90.000. Rochdale heeft op die opdracht een kans van 1/3, nu er van de 9 inschrijvers 3 overblijven, aan wie een opdracht wordt gegund, zodat het berekende bedrag weer moet worden gedeeld door 3 om de waarde van de gemiste kans te verkrijgen. Het voorschot op de te vergoeden schade komt daarmee op C = 30.000. De partij die meent dat dit voorschot te hoog of te laag is in verhouding tot de werkelijk geleden schade door de gemiste kans, zal zich tot de rechter moeten wenden in een bodemprocedure, teneinde een aanvullende schadevergoeding te vorderen, dan wel het te veel betaalde terug te vorderen. Hiertoe zal echter geen verplichting in het dictum worden opgenomen.’
Rb. Utrecht 14 november 2012, LJN: BY5823.
Vgl. Vz. Rb. Den Haag 24 januari 2012, LJN: BV1636 en BV1638 en Vz. Rb. Amsterdam 21 september 2012, LJN: BX9050.
In de door mij onderzochte uitspraken uit 2012 slaagde een groot aantal beroepen op het transparantiebeginsel niet. Ook werd een aantal eisers nietontvankelijk verklaard, omdat (onder verwijzing naar het Grossmann-arrest) de schending van het transparantiebeginsel te laat werd aangevoerd. Interessant is om te bezien wat de gevolgen zijn als wel wordt geconstateerd dat sprake is van schending van het transparantiebeginsel. In de uitspraak met het ’schoolvoorbeeld van een gebrek aan transparantie en duidelijkheid’ verbood de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Bosch de aanbestedende dienst om de opdracht te gunnen op basis van de gevolgde aanbestedingsprocedure en gebood de aanbestedende dienst, voor zover deze de opdracht alsnog zou wensen te gunnen, om de opdracht (met inachtneming van het vonnis) opnieuw aan te besteden.1
Een bevel tot gunning aan een specifieke inschrijver (de eiser in het geding) wordt zelden toegewezen. De voorzieningenrechter van de Rechtbank Leeuwarden overwoog in een procedure dat dit in strijd zou zijn met het aan het Nederlandse verbintenissenrecht ten grondslag liggende beginsel van contractsvrijheid.2 Als er echter geen twijfel over mogelijk is dat de opdracht gegund had moeten worden aan de inschrijver die als tweede is geëindigd dan kan een vordering tot gunning onder omstandigheden worden toegewezen.3
Als een schending van het transparantiebeginsel heraanbesteding noodzakelijk maakt, kunnen slechts bijzondere belangen tot een ander oordeel leiden.4 In aanvulling op een vordering tot heraanbesteding kan ook nog een dwangsom worden opgelegd. Dit wordt echter vaak achterwege gelaten gelet op de positie van de aanbestedende dienst die als overheidsinstantie geacht wordt rechterlijke oordelen volledig en onvoorwaardelijk na te leven.5
Een volledige heraanbesteding is niet altijd noodzakelijk. Relevant hierbij is de vraag in hoeverre het geconstateerde gebrek hersteld kan worden in de lopende procedure.6 Een herbeoordeling van alle ingediende inschrijvingen kan onder omstandigheden afdoende zijn.7 De voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag oordeelde in een dergelijk geval wel dat die herbeoordeling niet mocht plaatsvinden door dezelfde beoordelingscommissie.8 In de procedure waar een te beperkte eis was gesteld gebood de voorzieningenrechter de aanbestedende dienst om de uitgesloten offerte alsnog in behandeling te nemen zonder dat ten aanzien van die inschrijver de te beperkte geachte voorwaarde gold.9 Ook een verbod om bepaalde stukken bij de beoordeling te betrekken is mogelijk,10 evenals een verbod tot gunning totdat een inschrijver de mogelijkheid heeft gehad tot aanvulling van zijn inschrijving.11 Bij een ’tijdelijke’ schending van het transparantiebeginsel die inmiddels door de aanbestedende dienst was hersteld door alsnog de noodzakelijk informatie te verstrekken aan de inschrijvers, besloot de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam alle vorderingen af te wijzen.12
Het feit dat de aanbesteding niet goed verlopen is, kan in plaats van door heraanbesteding ook door een schadevergoeding ongedaan worden gemaakt. Die schadevergoeding moet een redelijke vergoeding betreffen voor de gemiste kans om de opdracht te verwerven. De voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam achtte een verbod de voorgenomen overeenkomsten te sluiten op zijn plaats, tenzij een voorschot werd betaald op de te verwachten schadevergoeding.13 In een andere bodemprocedure werd een verklaring voor recht gegeven dat niet conform de aanbestedingsregels was gehandeld en dat de gemeente aansprakelijk was voor de door die inschrijver geleden schade als gevolg van de onjuiste gunningsbeslissing.14
Ten slotte de gevolgen van een ontoelaatbare wezenlijke wijziging van een reeds gesloten overeenkomst; als de voorzieningenrechter constateerde dat sprake was van een wezenlijke wijziging dan leidde dit telkens tot de conclusie dat de er een nieuwe overheidsopdracht was ontstaan die op grond van het aanbestedingsrecht opnieuw moet worden aanbesteed.15