Einde inhoudsopgave
Re-integratie zieke werknemer (MSR nr. 66) 2014/6.6.5
6.6.5 Deskundigenoordeel
mr.dr. G.A. Diebels, datum 24-09-2014
- Datum
24-09-2014
- Auteur
mr.dr. G.A. Diebels
- JCDI
JCDI:ADS582804:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Rechtswetenschap / Algemeen
Sociale zekerheid arbeidsongeschiktheid / Re-integratie
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover ook Rijpkema, p.48-64 en 69-75. De vraag om een deskundigenoordeel kan ook aan een derde worden gesteld op basis van art. 194-200 Rv, zelfs als er al een deskundigenoordeel van het UWV ligt, zie bijv. Rb. Den Bosch 22 februari 2005, ECLI:NL:RBSHE:2005:AU5453. Dat is wel de uitzondering. De bevoegdheid van een ander dan het UWV kan bij CAO worden overeengekomen, art. 7:629a lid 7 BW.
R.A. Heida en D.J. Buijs, ‘Het deskundigenoordeel ‘(on)geschiktheid tot werken’ kritisch beschouwd’, Sociaal Recht 2007/80, p.395-396 en 398. Zij wijzen erop dat de first opinion overigens niet noodzakelijkerwijs steeds op de beoordeling van de bedrijfsarts hoeft te zijn gebaseerd, met name niet bij een discussie over arbeidsongeschiktheid of niet. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat voorafgaand aan een deskundigenoordeel wél steeds een bedrijfsarts een oordeel moet hebben gegeven, Kamerstukken II 2000/01, 27 678, nr.3.
HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2128 onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis.
Kamerstukken II 1994/95, 24 439, nr.3, p.64-65, E. Verhulp, T&C Arbeidsrecht, art. 7:658b BW, aant.1.
R.A. Heida en D.J. Buijs, ‘Het deskundigenoordeel ‘(on)geschiktheid tot werken’ kritisch beschouwd’, Sociaal Recht 2007/80, p.394.
Zie voor een voorbeeld: Hof Den Bosch 12 juni 2012, LJN BW8298.
Deze vier verschillende oordelen zijn in de loop van de tijd ingevoerd. Het eerste werd bij de Wet TZ in 1992 mogelijk; het handelde over de vraag of iemand arbeidsongeschikt is of niet. De andere oordelen zijn met de Wet verbetering poortwachter in 2002 ingevoerd.
P.S. Fluit, ‘Regeling procesgang eerste ziektejaar’, Sociaal Recht 2001, p.354, zie wel: art. 32 lid 2, SUWI, J. Riphagen, T&C Arbeidsrecht 2004, art. 71a WAO, aant. 1b.
Ktr. Alkmaar 10 maart 2010, ECLI:NL:RBALK:2010:BM0541.
Ktr. Gorinchem 16 maart 2010, ECLI:NL:RBDOR:2010:BL9438.
R.A. Heida, ‘Ontwikkelingen in deskundigenoordelen’ in: G.C. Boot, De zieke werknemer in beweging, Sdu Uitgevers: Den Haag 2014, p.21-22.
Art. 7:629a lid 3 en 4 BW.
Art. 54 lid 3 sub c Wet SUWI.
Art. 73 lid 4 Wet SUWI en art. 7:448 BW, R.A. Heida en D.J. Buijs, ‘Het deskundigenoordeel ‘(on) geschiktheid tot werken’ kritisch beschouwd’, Sociaal Recht 2007/80, p.395-396.
Art. 32a lid 2 SUWI, Besluit kosten aanvraag deskundigenoordeel Stcrt.2005, 37, Beleidsregel kosten aanvraag deskundigenoordeel 2013, Stcrt. 2012, 27131.
Art. 32a lid 3 SUWI.
Stichting De Ombudsman, Het deskundigenoordeel: vrijwillig maar niet vrijblijvend. Onderzoek naar effecten en verwachtingspatronen, januari 2011, p.26-27: 72% van de gevraagde deskundigenoordelen zijn op verzoek van de werknemer. Daarvan zijn de belangrijkste categorieën: arbeidsongeschiktheid of niet (72%) en passende arbeid of niet (25%).
G. Vonk, ‘Kroniek jurisprudentie werknemersverzekeringen en bijstand 2011’, TRA 2012/1, p.25-26.
CRvB 20 juli 2011, LJN BR2382, zie G. Vonk, TRA 2012/1, p.25-26.
CRvB 20 maart 2013, LJN BZ4852.
Rijpkema, p.19.
Kamerstukken II 1995/96, 24 439, nr.3, p.24. Rijpkema ziet een parallel bij de proceskostenveroordeling, p.46.
Na de ziekmelding in de 42e week.
Rijpkema, p.56. Een rechtsgevolg wordt er pas door de Ktr. aan verbonden.
P.S. Fluit, ‘Het deskundigenoordeel van het UWV (deel 1)’, Sociaal Recht 2004/50, p.245-247.
In elk geval wezen de eerste cijfers daar op; P.E. Minderhoud, I.P.Asscher-Vonk en T. Havinga, ‘Procederen inzake weigering loondoorbetaling bij ziekte: een zeer zeldzaam verschijnsel’, SMA 1999, nr.3, p.145-152, zie ook Kamerstukken II 2001/02, 27 678, nr.3, p.11.
Zie voor verdere bespreking, ook van uitzonderingen: N. Jansen en M. Opdam, ‘Perikelen rond de deskundigenverklaring bij ziekte: lang niet altijd een noodzakelijk middel’, TRA 2013/35. Over de uitzonderingen ook: R.A. Heida en D.J. Buijs, ‘Het deskundigenoordeel ‘(on)geschiktheid tot werken’ kritisch beschouwd’, Sociaal Recht 2007/80, p.397-398.
Kamerstukken II, 2003/04, 29 231, nr.3, p.37.
Kamerstukken II, 1994/95, 24 439, nr.3, p.65.
Kamerstukken II, 1994/95, 24 439, nr.3, p.64-65, ook Pres. Rb. Amsterdam 5 december 1996, JAR 1997/9, Ktr. Middelburg 7 april 1997, JAR 1997/96. Rijpkema wijst op afwijkende uitspraken, waarbij in kort geding toch een deskundigenoordeel nodig werd geacht, p.48, bijvoorbeeld Ktr. Nijmegen 20 juli 2012, ECLI:NL:RBARN:2012:BX4261.
HR 15 juni 2007, JAR 2007/196LJN BA5315, de tweede uitzonderingsgrond is dat een verklaring in redelijkheid niet kan worden gevergd.
Ktr. Middelburg 7 april 1997, JAR 1997/96, Ktr. Emmen 27 juni 2001, JAR 2001/147.
HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2128.
HR 5 oktober 2001, NJ 2001, 633.
Ktr. Nijmegen 19 oktober 2007, LJN BB6111.
Fase, SMA 2003, p.3 en Ktr. Apeldoorn 22 september 1998, Prg. 1999, 5091, Rb Assen 5 maart 2002, JAR 2002/130, Ktr. Enschede 3 februari 2004, Prg. 2004, 6189. Het Hof Leeuwarden laat die vraag in het midden en wijst de vordering op andere gronden grotendeels af, Hof Leeuwarden 27 juli 2010, LJN BN2890. Zie Rijpkema, p.71-73.
HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2128, r.o.3.3.2.
Zie verwijzingen bij Rijpkema, p.49, noot 54 en 55. Het UWV wijst partijen pas na de 42e-weeksmelding van ziekte op de mogelijkheid van een deskundigenoordeel, in het kader van de komende eerstejaarsevaluatie.
Dat doen zij onverplicht hoewel Rijpkema een plicht daartoe zou willen baseren op goed werkgeverschap (naar analogie van art. 3:45 Awb), bij het nalaten waarvan de werknemer in een procedure geen beroep zou mogen doen op het ontbreken van een deskundigenoordeel, p.50. Dat nuanceer ik voor het geval de werknemer rechtskundig wordt bijgestaan, want daarmee verschuift het risico van niet-overleggen van een deskundigenoordeel in een procedure naar de adviseur, zie ook Hof Den Bosch 15 november 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BU5484.
Rijpkema, p.90-91.
Onzorgvuldige totstandkoming kan wel effect hebben bij de waardering door de civiele rechter, in tuchtrechtspraak en is teruggekomen in diverse oordelen van de Nationale Ombudsman, zie R.A. Heida, ‘Ontwikkelingen in deskundigenoordelen’ in: G.C. Boot, De zieke werknemer in beweging, Den Haag: Sdu Uitgevers 2014, p.23-24. CRvB meende in een ambtenarenzaak ook dat voorbij kan worden gegaan aan het deskundigenoordeel als dat niet zorgvuldig tot stand komt, CRvB 12 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM7336.
Rijpkema, p.48-77.
Om zich van een aantal mogelijke discussiepunten te vergewissen, is het mogelijk dat een werkgever of een werknemer aan het UWV een deskundigenoordeel vraagt (ook wel second opinion genoemd).1 De ‘first opinion’ moet van de werkgever komen die een beslissing neemt op basis van advies van de bedrijfsarts.2 Het doel van een deskundigenoordeel is tweeledig: de rechtsbescherming van de werknemer te versterken en efficiënte geschilbeslechting voorkomen of bij de rechter vereenvoudigen.3 De basis voor het deskundigenoordeel is te vinden in artikel 32 lid 1, 2 en 3 SUWI. In de artikelen 7:629a en 7:658b BW is de ‘deskundigenverklaring’ geregeld. Het later ingevoerde artikel 7:658b BW is vormgegeven naar het model van artikel 7:629a BW, dat betrekking heeft op de loonvordering bij ziekte. De wetsgeschiedenis verwijst uitdrukkelijk naar (de toelichting op) artikel 7:629a BW, zodat kan worden aangenomen dat het de bedoeling van de wetgever is geweest beide regelingen identiek in te vullen.4 Beide artikelen moeten in samenhang met artikel 32 SUWI worden gelezen; met het deskundigenoordeel en de deskundigenverklaring wordt hetzelfde bedoeld.5 Voor de rechtsbescherming van de werknemer is relevant dat in de praktijk grote waarde aan het deskundigenoordeel wordt gehecht.6
In beginsel zijn vier verschillende deskundigenoordelen mogelijk:7
is de werknemer arbeidsongeschikt of niet? (artikel 32 lid 1 SUWI)
leeft de werknemer de verplichtingen uit artikel 7:660a BW wel na? (lid 2)
is er passende arbeid die de zieke werknemer kan verrichten? (lid 3 sub a)
leeft de werkgever de verplichtingen uit artikel 7:658a BW wel na? (lid 3 sub b)
Een discussiepunt moet in één van deze vakjes passen. Zo kan een werkgever bijvoorbeeld vragen of het niet bereiken van overeenstemming over het plan van aanpak is te scharen onder niet-nakoming door de werknemer van de verplichtingen uit artikel 7:660a BW.8 Het vragen van het verkeerde deskundigenoordeel kan vérgaande gevolgen hebben zoals afwijzing van een vordering.9 Als er verschillende discussiepunten spelen, kanworden geëist verschillende deskundigenoordelen aan te vragen.10 Het UWV weigert soms ook een deskundigenoordeel af te geven. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij het ontbreken van een ‘first opinion’, bij het verstrijken van 18 maanden verzuim, omdat er geen geschil zou zijn of omdat de bedrijfsarts geen functionele mogelijkhedenlijst of andere informatie aanlevert. Heida onderbouwt dat de UWV-weigering om in dergelijke gevallen een deskundigenoordeel af te geven vrijwel altijd onterecht is.11
Een deskundigenoordeel is een momentopname, moet onpartijdig en naar beste weten tot stand komen, waartoe gegevens bij de behandelend artsen kunnen worden opgevraagd zolang de privacy daardoor maar niet onevenredig wordt geschaad.12 De bedrijfsarts mag wettelijk gezien zonder toestemming van de werknemer gegevens verstrekken aan de verzekeringsarts,13 maar in minder dan de helft van de gevallen wordt hij benaderd door het UWV. Bij het uitbrengen van het deskundigenoordeel hebben zowel bedrijfsarts als werknemer recht op de medische onderbouwing van dit oordeel.14 Het UWV vraagt een vergoeding voor de kosten van elk deskundigenoordeel. De werkgever moet € 400,- betalen, de werknemer € 100,- (2014).15 Het deskundigenoordeel wordt in beginsel binnen twee weken afgegeven.16
Veel deskundigenoordelen worden gevraagd door de werknemer, in het overgrote deel van die gevallen over de vraag of hij wel of niet arbeidsongeschikt is.17 Het is tegenwoordig daarnaast niet ongebruikelijk dat de werkgever tussentijds of tegen het einde van de twee jaar arbeidsongeschiktheid aan het UWV een oordeel vraagt over de eigen re-integratie-inspanningen.18 Uit tabel 1 blijkt dat de helft van de deskundigenoordelen gaat over de re-integratie-inspanningen van de werkgever.
Deskundigenoordeel
2011
2012
18.527
20.274
Soort oordeel
Arbeidsongeschiktheid of niet
4.863
4.721
Passende arbeid
3.272
2.897
Re-integratie-inspanningen werknemer
2.009
2.210
Re-integratie-inspanningen werkgever
8.383
10.446
Bron: UWV-presentatie werkgeverscongres 2013
Als het UWV op enig moment een positief deskundigenoordeel afgeeft dan mag daarna niet alsnog een loonsanctie worden opgelegd, tenzij het UWV aantoont dat de werkgever in de tussentijd tekort is geschoten.19 De werkgever mag dus wel afgaan op het deskundigenoordeel van het UWV. Dat geldt in beginsel ook als het UWV een negatief oordeel afgeeft over de re-integratie-inspanningen van de werkgever tot dan toe en daarbij vermeldt hoe de werkgever de tekortkomingen moet herstellen. Als de werkgever die aanwijzingen dan correct heeft opgevolgd, is voor een loonsanctie geen plaats. De CRvB bevestigt dat mag worden afgegaan op een deskundigenoordeel als daarbij door het UWV geen voorbehoud wordt gemaakt. Niettemin wordt gewaarschuwd dat de werkgever wel moet blijven nadenken: ‘In reactie op het standpunt van appellant dat een deskundigenoordeel een momentopname is tekent de Raad hierbij aan dat denkbaar is dat zich na een deskundigenoordeel veranderingen voordoen binnen het bedrijf van de werkgever en/of dat de belastbaarheid van de werknemer toeneemt, waardoor andere mogelijkheden dan meegewogen bij de totstandkoming van het deskundigenoordeel in beeld komen. In die situatie kan de werkgever zich niet langer onverkort beroepen op het eerder gegeven deskundigenoordeel. De werkgever dient zich dan opnieuw te bezinnen op de mogelijkheden en daarbij ook eerder verworpen alternatieven te herijken. De werkgever dient hier alert op te zijn.’20
De aanvraag van een deskundigenoordeel is wel vergeleken met de bestuursrechtelijke bezwaarprocedure die in deze gevallen bestond vóór privatisering van de ZW.21 Volgens de wetsgeschiedenis zou de regeling rond deskundigenoordelen zelfs ‘overeenstemmen’ met de Awb-bepalingen rond Ziektewetgeschillen (artikel 8:34 lid 1 en 8:48 Awb).22 Toch is dat niet het geval, omdat bij een deskundigenoordeel informatie ‘kan’ worden ingewonnen bij de artsen die bij de oordeelsvorming zijn betrokken (ook behandelend sector), terwijl dat in de Awb verplicht is. Ook is in de Awb de bezwarenclausule verplicht, zodat de werknemer weet dat hij bezwaar kan maken (artikel 3:45 Awb). Een werkgever is echter niet verplicht de werknemer te wijzen op de mogelijkheid van een deskundigenoordeel en het UWV informeert beide partijen pas over de mogelijkheid om een deskundigenoordeel aan te vragen in week 44 van de arbeidsongeschiktheid.23 De Awb biedt daarmee volgens mij meer waarborgen voor een zorgvuldig proces. Het deskundigenoordeel zelf is niet gericht op rechtsgevolg dus bestuursrechtelijk gezien geen besluit.24 Het is een advies zodat geen bezwaar of beroep openstaat.25
De mogelijkheid om een deskundigenoordeel over arbeidsongeschiktheid te vragen, heeft er waarschijnlijk aan bijgedragen dat in vergelijking met de periode vóór invoering van de loondoorbetalingsplicht bij ziekte een stuk minder wordt geprocedeerd over de vraag of iemand arbeidsongeschikt is of niet.26 Een deskundigenoordeel is desondanks wél verplicht voor een werknemer die een loonvorderingsprocedure wil starten die verband houdt met betwiste arbeidsongeschiktheid, onenigheid over het al dan niet voldoende meewerken aan re-integratie-activiteiten of waarbij nakoming van de re-integratieverplichtingen door de werkgever wordt geëist.27 Het niet-overleggen van een deskundigenoordeel wordt bestraft met het afwijzen van de vordering. Een deskundigenoordeel is niet nodig als de werkgever de arbeidsongeschiktheid of de niet-nakoming niet betwist of het overleggen van een verklaring in redelijkheid niet van de werknemer kan worden gevergd.28 Dat laatste is bijvoorbeeld het geval als de werkgever vóór aanvang van de procedure de ziekte van de werknemer steeds heeft erkend, maar op dat standpunt hangende het geding terugkomt. De werknemer behoort niet te worden belast met de gevolgen van het feit dat hij door de opstelling van de werkgever op het verkeerde been is gezet.29 Bovendien is uit de wetsgeschiedenis bij artikel 7:629a BW op te maken dat alleen in bodemprocedures een second opinion wordt verlangd.30 De vraag of de betwisting van de ziekte door de werkgever ook voor het eerst mogelijk is ín de procedure, beantwoordt de HR bevestigend (in een geval rond de second opinion uit artikel 7:629a BW):
‘In de parlementaire geschiedenis met betrekking tot deze bepaling…wordt ten aanzien van de eerste uitzondering vermeld dat een deskundigenverklaring achterwege kan blijven als de ziekte van de werknemer in de procedure niet door de werkgever wordt betwist. Bij de tweede uitzondering heeft de wetgever in het bijzonder gedacht aan het geval dat de werkgever vóór de procedure de ziekte van de werknemer steeds heeft erkend, maar op dat standpunt hangende het geding terugkomt en aldus de werknemer op het verkeerde been heeft gezet. Uit het voorgaande valt af te leiden dat een betwisting, die (eerst) wordt gedaan tijdens de procedure, niet tardief is....Voor zover het middel betoogt dat bij een eerst in de procedure gedane betwisting het moment is verstreken waarop de werknemer de deskundigenverklaring had moeten overleggen, verdient opmerking dat dit niet bezwaarlijk is omdat in dat geval de werknemer zich kan beroepen op de tweede uitzonderingsgrond.’31
Uit de rechtspraak op artikel 7:629a BW blijkt verder dat een deskundigenoordeel in redelijkheid van de werknemer niet kan worden verlangd bij het ontbreken van een ‘first opinion’ van een bedrijfsarts,32 bij een weigering van het UWV een deskundigenoordeel af te geven terwijl er wel een oordeel van de bezwaarverzekeringsarts lag dat de aangeboden arbeid niet passend was33 of door tijdsverloop en de aard van de arbeidsongeschiktheid.34
De sanctie op het niet-overleggen van een second opinion is de afwijzing van de vordering.35 Fase vraagt zich af of dat niet niet-ontvankelijkheid moet zijn. Ook de rechtspraak komt wel tot die conclusie.36 De HR heeft buiten twijfel gesteld dat het gaat om afwijzing van de vordering.37
Rijpkema is kritisch op de processuele positie van het deskundigenoordeel. Zijn eerste bezwaar richt zich op de onbekendheid bij de werknemer dat een deskundigenoordeel mogelijk is en in een procedure zelfs verplicht. Uit onderzoeken blijkt dat de werknemer die kennis vaak ontbeert.38 Dat bezwaar wil ik relativeren: veel werkgevers wijzen de werknemer bij het opleggen van een loonstop of loonopschorting uit zichzelf op de mogelijkheid.39 Bovendien zal de werknemer vrijwel steeds in een procedure worden bijgestaan door een deskundige zodat kennis over het deskundigenoordeel geen probleem hoeft op te leveren. Niettemin zou het wel verstandiger zijn als het UWV al eerder dan in week 44 beide parijen zou informeren over de mogelijkheid. Het kan helpen om te voorkomen dat re-integratiekansen worden gemist.40 Zijn andere bezwaren zijn fundamenteler en die deel ik. Tegen een deskundigenoordeel is niet op te komen, nu het geen besluit betreft. Onzorgvuldigheid in de totstandkoming kan dan voor de ene of de andere partij processuele nadelen opleveren, aangezien de rechter aan het oordeel groot belang toekent.41 De totstandkoming is daarnaast ondoorzichtig én er is een spanningsveld tussen de arbeidsrechtelijke regeling van de privacy van de zieke werknemer met de sociaalzekerheidsrechtelijke regeling daarvan.42 Op dat laatste punt ga ik in § 6.6.7 in.