Einde inhoudsopgave
RvdW 2025/1142
Medeplegen hennepteelt (art. 3 onder B Opiumwet), medeplegen diefstal van elektriciteit (art. 311 lid 1 onder 4 Sr) en medeplegen aanwezig hebben van henneptoppen (art. 3 onder C Opiumwet). Hof (enkelvoudige kamer) heeft verdachte n-o verklaard in zijn hoger beroep omdat het te laat is ingesteld. 1. Herstelarrest HR. Zijn er redenen voor intrekking van eerder arrest HR, aangezien raadsman in cassatie heeft verzocht dit arrest in te trekken en te beslissen dat in ontnemingszaak ingediende cassatieschriftuur zowel betrekking heeft op strafzaak als op ontnemingszaak, nu verdachte, zijn raadsman in h.b. en zijn raadsman in cassatie ervan uitgegaan zijn dat door hof als ontnemingszaak aangeduide zaak een strafzaak betreft waarin ook ontnemingsmaatregel is opgelegd en die zaak in h.b. maar 1 parketnummer heeft? 2. Ontvankelijkheid h.b., art. 408 lid 1 sub a Sv en art. 36e lid 1 onder b sub 1 en 36e lid 2 sub a Sv. Betekent omstandigheid dat dagvaarding in eerste aanleg op BRP-adres van verdachte is uitgereikt aan huisgenoot van verdachte dat dagvaarding aan verdachte in persoon is betekend? Ad 1. HR heeft in deze strafzaak bij arrest van 15 oktober 2024 door verdachte ingesteld beroep n-o verklaard, omdat in deze zaak niet tijdig schriftuur met middelen is ingediend. Gelet op procesgang kan niet worden vastgesteld dat raadsman in h.b. op de hoogte was van feit dat strafzaak en ontnemingszaak in h.b. verschillende parketnummers hebben gekregen. Aannemelijk is dat cassatieadvocaat a.g.v. onjuiste veronderstelling m.b.t. parketnummers van strafzaak en ontnemingszaak in h.b. en van nummers waaronder die zaken in cassatie zijn geregistreerd, niet binnen de in art. 437 lid 2 Sv genoemde termijn bij HR een schriftuur met middelen heeft ingediend in deze strafzaak, terwijl aan die veronderstelling mede administratieve vergissing ten grondslag ligt. Op 17 februari 2025 heeft rolraadsheer een nadere termijn (tot en met 19 maart 2025) verleend voor het indienen van schriftuur met middelen in deze strafzaak. Namens verdachte is op 19 maart 2025 alsnog bij schriftuur een middel voorgesteld. HR zal gelet op dit alles arrest van 15 oktober 2024 intrekken. Ad 2. Verdachte is in eerste aanleg bij verstek veroordeeld. Inleidende dagvaarding is uitgereikt op BRP-adres aan ander dan verdachte die zich op dat adres bevond en die heeft beloofd dagvaarding onmiddellijk aan verdachte te geven. Vonnis in e.a. is uitgesproken op 16 mei 2023 en namens verdachte is h.b. ingesteld op 21 juni 2023. In gevallen genoemd in art. 408 lid 1 Sv moet h.b. worden ingesteld binnen 14 dagen na einduitspraak. Een van die gevallen betreft geval dat dagvaarding in e.a. aan verdachte in persoon is uitgereikt. In andere dan in art. 408 lid 1 Sv genoemde gevallen, moet o.g.v. art. 408 lid 2 Sv h.b. worden ingesteld binnen 14 dagen nadat zich omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat einduitspraak aan verdachte bekend is. Hof heeft verdachte n-o verklaard in het door hem ingestelde h.b., omdat h.b. niet binnen termijn van 14 dagen na 16 mei 2023 is ingesteld. Hof heeft aan dat oordeel ten grondslag gelegd dat omstandigheid dat dagvaarding in e.a. op BRP-adres van verdachte is uitgereikt aan huisgenoot van verdachte, meebrengt dat dagvaarding aan verdachte in persoon is betekend. Dat oordeel is onjuist omdat wet niet voorziet in bepaling die uitreiking van gerechtelijk stuk aan huisgenoot van verdachte gelijkstelt met uitreiking van dat stuk aan verdachte in persoon. Volgt intrekking eerder arrest en vernietiging en terugwijzing. Vervolg op 23/05068 (niet gepubliceerd; eerder arrest; geen middelen ingediend, verdachte n-o). Samenhang met RvdW 2025/1141 (ontnemingszaak).
HR 07-10-2025, ECLI:NL:HR:2025:1404
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
7 oktober 2025
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, C.N. Dalebout, F. Posthumus
- Zaaknummer
23/05068
- Conclusie
A-G mr. P.H.P.H.M.C. van Kempen
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Rechtsmiddelen
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:1404, Uitspraak, Hoge Raad, 07‑10‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:703, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 24‑06‑2025
Essentie
Medeplegen hennepteelt (art. 3 onder B Opiumwet), medeplegen diefstal van elektriciteit (art. 311 lid 1 onder 4 Sr) en medeplegen aanwezig hebben van henneptoppen (art. 3 onder C Opiumwet). Hof (enkelvoudige kamer) heeft verdachte n-o verklaard in zijn hoger beroep omdat het te laat is ingesteld. 1. Herstelarrest HR. Zijn er redenen voor intrekking van eerder arrest HR, aangezien raadsman in cassatie heeft verzocht dit arrest in te trekken en te beslissen dat in ontnemingszaak ingediende cassatieschriftuur zowel betrekking heeft op strafzaak als op ontnemingszaak, nu verdachte, zijn raadsman in h.b. en zijn ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.