Einde inhoudsopgave
RvdW 2025/1141
Profijtontneming, w.v.v. uit hennepteelt. Hof (enkelvoudige kamer) heeft betrokkene n-o verklaard in zijn hoger beroep omdat het te laat is ingesteld, art. 408 lid 1 sub a jo. art. 511g lid 2 Sv en art. 36e lid 1 onder b sub 1 en art. 36e lid 2 sub a Sv. Betekent omstandigheid dat oproeping in eerste aanleg op BRP-adres van betrokkene is uitgereikt aan huisgenoot van betrokkene dat oproeping aan betrokkene in persoon is betekend? HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Hof heeft vastgesteld dat betrokkene in e.a. is opgeroepen om op 16 mei 2023 te verschijnen ttz. van Pr en dat oproeping voor die zitting aan huisgenoot op 21 april 2023 in persoon is betekend. Uit akte van uitreiking blijkt dat oproeping op 21 april 2023 op BRP-adres van betrokkene (adres van daklozenloket) is uitgereikt aan ander dan betrokkene, die beloofde brief onmiddellijk aan geadresseerde te geven. Volgens hof brengt deze vaststelling mee dat betrokkene binnen 14 dagen na datum waarop beslissing is gewezen h.b. had moeten instellen. Hof gaat er zo bezien vanuit dat beroepstermijn van art. 408 lid 1 Sv van toepassing is. Meer in het bijzonder lijkt hof gelet op zinsnede ‘oproeping is aan huisgenoot op 21 april 2023 in persoon betekend’ uit te zijn gegaan van toepasselijkheid van art. 408 lid 1 sub a Sv. Dat oordeel is onjuist. Weliswaar wordt betekening aan degene die zich op dat adres bevindt a.b.i. art. 36e lid 1 sub b jo. art. 36e lid 2 sub a Sv in persoon aan degene die zich op dat adres bevindt gedaan, maar het gaat daarbij niet om betekening in persoon a.b.i. art. 36e lid 1 Sv, nu dit geen betekening in persoon aan geadresseerde zelf is. Overigens bevindt zich bij gedingstukken een ‘mededeling uitspraak ontneming’ van 26 juli 2023, die blijkens daarbij behorende akte van uitreiking op 4 augustus 2023 in persoon aan betrokkene is uitgereikt. Een dergelijke mededeling wordt niet gedaan indien sprake is van betekening in persoon (art. 366 lid 2 sub a Sv). Nu de onder b tot en met d genoemde gronden van art. 408 lid 1 Sv zich hier evenmin voordoen, is ’s hofs oordeel dat h.b. binnen 14 dagen na einduitspraak moest worden ingesteld onbegrijpelijk. Dat discussie ttz. in h.b. zich enkel heeft toegespitst op het al dan niet verschoonbaar zijn van termijnoverschrijding doet hieraan niet af. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met RvdW 2025/1142.
HR 07-10-2025, ECLI:NL:HR:2025:1403
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
7 oktober 2025
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, C.N. Dalebout, F. Posthumus
- Zaaknummer
23/04879 P
- Conclusie
A-G mr. P.H.P.H.M.C. van Kempen
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Sancties
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:1403, Uitspraak, Hoge Raad, 07‑10‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:704, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 24‑06‑2025
Essentie
Profijtontneming, w.v.v. uit hennepteelt. Hof (enkelvoudige kamer) heeft betrokkene n-o verklaard in zijn hoger beroep omdat het te laat is ingesteld, art. 408 lid 1 sub a jo. art. 511g lid 2 Sv en art. 36e lid 1 onder b sub 1 en art. 36e lid 2 sub a Sv. Betekent omstandigheid dat oproeping in eerste aanleg op BRP-adres van betrokkene is uitgereikt aan huisgenoot van betrokkene dat oproeping aan betrokkene in persoon is betekend? HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Hof heeft vastgesteld dat betrokkene in e.a. ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.