Einde inhoudsopgave
RvdW 2025/1122
Witwassen. Niet zonder meer begrijpelijk oordeel dat verdachte niet een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de legale herkomst van het geldbedrag. Toch geen cassatie.
HR 07-10-2025, ECLI:NL:HR:2025:1499
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
7 oktober 2025
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, A.L.J. van Strien, T.B. Trotman
- Zaaknummer
23/03550
- Conclusie
A-G mr. T.N.B.M. Spronken
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
Materieel strafrecht / Sancties
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:1499, Uitspraak, Hoge Raad, 07‑10‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:745, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 01‑07‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 13‑09‑2024
- Wetingang
Art. 420bis Sr
Essentie
Witwassen. Niet zonder meer begrijpelijk oordeel dat verdachte niet een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de legale herkomst van het in de bewezenverklaring genoemde geldbedrag. Toch geen cassatie, nu het hof kon oordelen dat ondanks de verklaring van verdachte het witwassen bewezen kan worden omdat (het niet anders kan zijn dan dat) het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is.
Samenvatting
De Hoge Raad verwijst naar HR 18 december 2018, NJ 2019/298, m.nt. N. Rozemond, met daarin het stappenplan om te kunnen komen tot bewezenverklaring dat een voorwerp ‘afkomstig ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.