Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.4.14
9.4.14 Procedurele regels en vormvoorschriften (formaliteiten)
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940258:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Feteris 2002, p. 361.
Vgl. in dit verband hetgeen in paragraaf 9.3.3 over de verzending van poststukken is opgemerkt.
Zie Feteris 2002, p. 270. Zie voorts paragraaf 7.3.8.3.2.
Zie daarover nader paragraaf 12.2.7.3.
Zie par. 2 lid 6 BBBB. Zie voor een voorbeeld waarin dit toestemmingstraject een rol speelt Hof Amsterdam 6 mei 2022 (geheimhoudingskamer), V-N 2022/39.25.26, r.o. 3.6.1. e.v.. Zie over het toestemmingsvereiste van par. 2 lid 6 BBBB voorts uitgebreid de Conclusie van A-G Pauwels van 7 juli 2023, V-N 2023/36.24.
In het kader van dit onderzoek behandel ik niet alle denkbare procesrechtelijke voorschriften, in het bijzonder niet die, welke van sterk formele aard zijn. Zie voor een toelichting paragraaf 15.3.
In het algemeen geldt dat bewijslastvraagstukken ter zake van procesrechtelijke kwesties moeten worden opgelost aan de hand van de reguliere regels van bewijslastverdeling.1 De partij die zich op een bepaalde procedurele regel of een bepaald vormvoorschrift beroept, heeft dus de stelplicht en zal zo nodig ook bewijs moeten leveren. Van een boeteling die zich erop beroept dat hij een geldige reden heeft op grond waarvan de datum van de terechtzitting zou moeten worden verzet, mag bijvoorbeeld worden verwacht dat hij voor die stelling een begin van bewijs aanlevert.2 Iets vergelijkbaars geldt wanneer een partij in beroep stelt geen uitnodiging voor de zitting te hebben ontvangen.3 Aangezien het bewijs van het negatieve moeilijk te leveren is, zal de rechtbank of het Hof, als meest gerede partij, dan moeten bewijzen dat de betreffende partij op juiste wijze is uitgenodigd.4
Naar mijn mening geldt het voorgaande ook voor (de schending van) vormvoorschriften in het kader van de (voorbereiding van de) boeteoplegging. Hierbij valt te denken aan de verplichting om in bepaalde gevallen een rapport op te maken (vergrijpboetes),5 de vereiste interne toestemmingen bij de beboeting van anderen dan de belasting- of inhoudingsplichtige6 en de rol van de boete- en fraudecoördinator bij nieuwe bezwaren ex art. 67q AWR.7 Aangezien de boeteling zal stellen dat dergelijke vormvoorschriften zijn geschonden, is de boeteling normaliter als eerste aan zet om bewijs te leveren. Wel kan de inspecteur onder omstandigheden de meest gerede partij zijn, met name als het gaat om interne informatie over de gevolgde procedure en de betrokken functionarissen.
Een belangrijke uitzondering op de toepassing van de reguliere regels wordt gevormd door de vraagstukken van openbare orde. Onderstaand ga ik daarop afzonderlijk in. Vervolgens behandel ik de bewijslastverdeling ten aanzien van enkele andere procesrechtelijke aspecten.8
9.4.14.1 Ontvankelijkheid en andere kwesties van openbare orde9.4.14.2 Gelijktijdigheidseis9.4.14.3 Mededelingsvereiste9.4.14.4 Fair hearing en daaruit voortvloeiende waarborgen9.4.14.5 Goede procesorde9.4.14.6 Strafrechtelijke beginselen uit het (supra)nationale recht9.4.14.7 EU-recht