RvdW 2025/542:Mishandeling van partner (art. 300 lid 1 Sr). Sanctietoemetingsbeslissing, oplegging contactverbod en gebiedsverbod als vrijheidsbeperkende maatregel a.b.i. art. 38v Sr. 1. Kon hof aan vrijheidsbeperkende maatregel verplichting verbinden dat verdachte geen contact ‘zal hebben’ met slachtoffer, nu naleving daarvan niet onder alle omstandigheden afhankelijk is van gedrag van verdachte? 2. Is verplichting bij vrijheidsbeperkende maatregel dat verdachte niet aanwezig zal zijn ‘waar slachtoffer woonachtig is’ voldoende precieze omschrijving van gebiedsverbod? Ad 1. Hof heeft bij oplegging van vrijheidsbeperkende maatregel, v.zv. deze inhoudt dat verdachte op geen enkele wijze (direct of indirect) contact ‘zal opnemen, zoeken of hebben’ met slachtoffer kennelijk willen aansluiten bij in art. 38v lid 2 sub b Sr omschreven verplichting. ’s Hofs beslissing moet daarom zo worden verstaan dat hof verdachte heeft bevolen zich voor duur van 3 jaren te onthouden van contact met slachtoffer. Ad 2. Door hof opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel is in strijd met art. 38v lid 2 sub a Sr, v.zv. deze inhoudt dat verdachte niet aanwezig zal zijn daar ‘waar slachtoffer (...) woonachtig is’, omdat in zoverre niet voldoende precieze omschrijving van gebied waarbinnen verdachte zich niet mag bevinden is geformuleerd (vgl. HR 12 maart 2019, NJ 2019/229, m.nt. W.H. Vellinga). HR merkt nog op dat sinds 1 januari 2023 art. 6:6:23a1 Sv mogelijkheid biedt om inhoud van vrijheidsbeperkende maatregel te wijzigen. O.g.v. art. 6:6:1 lid 1 Sv kan rechter hiertoe overgaan op vordering van OvJ, op verzoek van veroordeelde, of ambtshalve. HR doet zaak zelf af en vernietigt vrijheidsbeperkende maatregel, v.zv. deze inhoudt dat verdachte zich niet zal ophouden daar ‘waar slachtoffer (...) woonachtig is’, zodat resteert bevel dat verdachte zich niet zal ophouden in specifieke straat waarin slachtoffer woonachtig is.