RvdW 2025/544:Medeplegen witwassen van geldbedrag (€ 449.610) en onroerende goederen (appartement, bedrijfsruimte en parkeerplaats), art. 420bis lid 1 sub b Sr. Bewijsklachten. 1. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt t.a.v. gebruik voor bewijs van p-v van bevindingen, art. 359 lid 2 Sv. 2. Kan uit bewijsvoering worden afgeleid dat verdachte bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat in bewezenverklaring genoemd geldbedrag (onmiddellijk of middellijk) afkomstig was uit enig misdrijf? 3. Kan uit bewijsvoering worden afgeleid dat verdachte bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat in bewezenverklaring genoemde onroerende goederen (onmiddellijk of middellijk) afkomstig waren uit enig misdrijf? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR 11 april 2006, NJ 2006/393, m.nt. Y. Buruma, m.b.t. selectie- en waarderingsvrijheid van feitenrechter van beschikbaar feitenmateriaal en diens motiveringsplicht ex art. 359 lid 2 Sv i.g.v. uos t.a.v. gebruikt bewijsmateriaal. Hof heeft vastgesteld dat legaal inkomen (legale contante ontvangsten) van verdachte in periode van 1 januari 2006 tot en met 19 januari 2010 ‘gemiddeld (...) een kleine € 25.000,- per jaar’ bedroeg en heeft daaraan conclusie verbonden dat verdachte zijn investering van € 150.000 in woning in Pattaya (Thailand) niet heeft kunnen bekostigen uit zijn legale inkomsten. Deze vaststelling heeft hof gebaseerd op inhoud van p-v van bevindingen van 6 december 2011 betreffende financiën van verdachte. Daarbij heeft hof overwogen dat conclusie uit dat p-v dat verdachte de investeringen in Thaise woning niet kon bekostigen uit zijn legale inkomen ‘nogmaals is bevestigd door p-v van bevindingen betreffende reactie op pleitnota van 9 augustus 2021’. Hieruit volgt dat hof van het door verdediging naar voren gebrachte uos over gebruik van p-v van bevindingen van 6 december 2011 is afgeweken om redenen die zijn vermeld in aanvullend p-v van bevindingen van 9 augustus 2021, dat is opgesteld nadat OM bij tussenarrest door hof in gelegenheid was gesteld nader onderzoek te doen naar wat door verdediging naar voren was gebracht. Hof was niet gehouden tot nadere motivering, in aanmerking genomen dat hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld (i) dat uos een herhaling behelsde van eerder geuite kritiek die in aanvullend p-v puntsgewijs beargumenteerd is tegengesproken, en (ii) dat verklaring die verdachte ttz. in hoger beroep heeft afgelegd en die hof in zijn bewijsvoering heeft gebruikt naar haar strekking overeenkomt met conclusie van p-v van bevindingen en aanvullend p-v, te weten dat verdachte niet (legaal) kon beschikken over € 150.000 om te investeren in woning in Thailand. Ad 2. O.g.v. zijn niet onbegrijpelijke vaststellingen in zijn bewijsoverwegingen heeft hof geoordeeld dat verdachte, door onder deze omstandigheden niet te vragen waar zijn mededaders door hen geïnvesteerde grote hoeveelheden cash geld vandaan haalden, bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat ook geld van zijn mededaders van enig misdrijf afkomstig was. Dat oordeel, waarin hof mede heeft betrokken dat het ‘ongebruikelijk is om dergelijke grote geldsommen cash te betalen, zeker als dat cash geld meegenomen moet worden naar buitenland’, geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Oordeel dat door medeverdachten geïnvesteerd geld daadwerkelijk van enig misdrijf afkomstig is, zodat medeplegen witwassen zich ook uitstrekt over hun beider aandeel in investering in Thaise woning, heeft hof mede gegrond op feit dat t.l.v. medeverdachten in hun strafzaken is bewezenverklaard dat zij zich bezighielden met handel in hennep. V.zv. middel erop berust dat hof deze veroordelingen van medeverdachten heeft betrokken bij bewijs van voorwaardelijk opzet van verdachte, berust het op verkeerde lezing van ’s hofs arrest. Ad 3. Hof heeft vastgesteld dat (i) verdachte de koopsom van € 60.000 heeft voldaan via overschrijving van dat bedrag van zijn bankrekening; (ii) verdachte dat bedrag heeft geïnvesteerd door dit te lenen van medeverdachte; en (iii) verdachte niet wist waar geld van medeverdachte vandaan kwam en dit ook niet heeft gevraagd. ’s Hofs op deze vaststellingen gebaseerde oordeel dat verdachte, door onder deze omstandigheden ‘mee te gaan’ in investering, (voorwaardelijk) opzet had dat lening werd verstrekt en vervolgens in onroerend goed werd geïnvesteerd met gelden die van misdrijf afkomstig waren, is niet zonder meer begrijpelijk. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. CAG: anders t.a.v. witwassen van geldbedrag.