RvdW 2025/95:Medeplegen witwassen van geldbedrag (€ 30.000), art. 420bis lid 1 sub b Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklachten voorwaardelijk opzet, medeplegen en gebruik voor bewijs van verklaring van medeverdachte. 2. Redelijke termijn in cassatiefase voor terugwijzing van zaak door HR. Kon hof oordelen dat geen sprake is van overschrijding van redelijke termijn in vorige cassatiefase door voortvarende behandeling in cassatie? Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: O.g.v. bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, heeft hof kunnen oordelen dat verdachte een plastic tas heeft overgedragen met daarin contant geldbedrag van € 30.000. Hof heeft o.g.v. vaststellingen in zijn nadere bewijsoverwegingen kunnen oordelen dat verdachte door zo te handelen welbewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door haar overgedragen goed van enig misdrijf afkomstig was. Nu verdachte (gelet op hiervoor genoemde vaststellingen) degene is geweest die in opdracht van haar echtgenoot de tas met contant geldbedrag daadwerkelijk heeft overgedragen, is ’s hofs oordeel dat sprake is van medeplegen witwassen eveneens niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. De als bewijsmiddel gebruikte verklaring van medeverdachte beschrijft andere gang van zaken dan die ten grondslag lag aan bewezenverklaarde geldoverdracht. Bewezenverklaring is ook met weglating van als b.m. gebruikte verklaring van medeverdachte toereikend gemotiveerd. Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG is middel gegrond. CAG: Hof heeft vastgesteld dat inzendtermijn van 8 maanden in vorige cassatieprocedure is overschreden. Vervolgens heeft hof geoordeeld dat HR uitspraak heeft gedaan binnen 2 jaren na het instellen van cassatieberoep, zodat overschrijding van inzendtermijn door voortvarende behandeling in cassatie is gecompenseerd. Dat oordeel getuigt van onjuiste rechtsopvatting, nu overschrijding van inzendtermijn slechts kan worden gecompenseerd doordat HR binnen 16 maanden na het instellen van cassatieberoep uitspraak doet. Dat is hier niet aan de orde. HR doet zaak zelf af door opgelegde taakstraf van 180 uren (mede gelet op overschrijding van redelijke termijn in deze cassatieprocedure) met 25 uren te verminderen. Samenhang met RvdW 2024/94. Vervolg op HR 1 december 2020, RvdW 2021/22.