Einde inhoudsopgave
RvdW 2025/43
Erfrecht. Onwaardigheid erfgenaam (art. 4:3 lid 1 onder a BW); dader volledig ontoerekeningsvatbaar; onherroepelijke veroordeling?; andere rechtsgrond (art. 8 EVRM, art. 6:2 lid 2 BW).
HR 06-12-2024, ECLI:NL:HR:2024:1797
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
6 december 2024
- Magistraten
Mrs. M.V. Polak, C.E. du Perron, F.J.P. Lock, F.R. Salomons, G.C. Makkink
- Zaaknummer
23/03347
- Conclusie
A-G mr. T. Hartlief
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Materieel strafrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2024:1797, Uitspraak, Hoge Raad, 06‑12‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:729, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 05‑07‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 11‑10‑2023
- Wetingang
Art. 4:3 lid 1 onder a, art. 6:2 lid 2, art. 7:184, 7:973 BW; art. 4:885 (oud) BW; art. 8 EVRM
Samenvatting
Art. 4:3 lid 1 aanhef en onder a BW bepaalt dat van rechtswege onwaardig is om uit een nalatenschap voordeel te trekken: hij die onherroepelijk veroordeeld is ter zake dat hij de overledene heeft omgebracht, heeft getracht hem om te brengen, dat feit heeft voorbereid of daaraan heeft deelgenomen. Onder de door art. 4:3 lid 1 aanhef en onder a BW vereiste ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.