Einde inhoudsopgave
RvdW 2025/39
Arbitrage. Vernietigingsprocedure (art. 1065 Rv). Bilateraal investeringsverdrag Oekraïne – Russische Federatie (BIT 1998); onteigening bezittingen op de Krim. Bevoegdheid scheidsgerecht; uitleg begrip ‘territory’ in BIT 1998; Weens Verdragenverdrag. Verweer illegaliteit investeringen; te beoordelen in quantum phase arbitrale procedure? Stelplicht en bewijslast bestaan geldige arbitrageovereenkomst.
HR 06-12-2024, ECLI:NL:HR:2024:1807
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
6 december 2024
- Magistraten
Mrs. T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, S.J. Schaafsma, K. Teuben
- Zaaknummer
22/03897
- Conclusie
A-G mr. B.J. Drijber
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Verdragenrecht
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Burgerlijk procesrecht / Arbitrage
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2024:1807, Uitspraak, Hoge Raad, 06‑12‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 19‑10‑2022
- Wetingang
Essentie
Arbitrage. Vernietigingsprocedure (art. 1065 Rv). Bilateraal investeringsverdrag Oekraïne – Russische Federatie (BIT 1998); onteigening bezittingen op de Krim. Bevoegdheid scheidsgerecht; uitleg begrip ‘territory’ in BIT 1998; Weens Verdragenverdrag. Verweer illegaliteit investeringen; te beoordelen in quantum phase arbitrale procedure? Stelplicht en bewijslast bestaan geldige arbitrageovereenkomst.
Samenvatting
In dit geval heeft het scheidsgerecht zijn bevoegdheid ontleend aan het bilateraal investeringsverdrag tussen Oekraïne en de Russische Federatie (BIT 1998). Nederland is geen partij bij het BIT 1998 en is daaraan ook niet anderszins gebonden. Dat betekent dat het BIT 1998 wordt beschouwd als recht van een vreemde staat in ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.