Einde inhoudsopgave
RvdW 2025/89
Medeplegen diefstal d.m.v. valse sleutel door geldbedragen op te nemen van bankrekening van 89-jarige vrouw met behulp van haar pinpassen die zijn verkregen d.m.v. babbeltruc, art 311 lid 1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt t.a.v. betrouwbaarheid herkenning verdachte op camerabeelden door 2 verbalisanten, art. 359 lid 2 Sv. 2. Strafmotivering (gevangenisstraf van 4 maanden), niet tlgd. en bewezenverklaard feit meegewogen bij strafoplegging. Kon hof het feitelijke wegnemen van passen alsmede omstandigheid dat aangeefster daardoor niet alleen is beroofd maar ook in haar persoonlijke levenssfeer is aangetast, betrekken bij strafoplegging? Ad. 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: ’s Hofs oordeel dat herkenning voor bewijs kan worden gebruikt, is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat hof het beeldmateriaal zelfstandig heeft bestudeerd en op basis daarvan heeft vastgesteld dat beelden van voldoende kwaliteit zijn om onderscheidende uiterlijke persoonskenmerken te kunnen waarnemen. Bovendien heeft hof in aanmerking kunnen nemen dat door 2 verbalisanten (afzonderlijk van elkaar) is beschreven aan welke uiterlijke gezichts- en lichaamskenmerken zij de door hen verhoorde verdachte op beeldmateriaal van pintransacties hebben herkend. Ad. 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof mocht omstandigheden bij straftoemeting betrekken, nu deze een nadere uitwerking van de door hof in aanmerking genomen en uit onderzoek ttz. in hoger beroep gebleken ‘omstandigheden waaronder verdachte en haar mededader(s) zich aan bewezenverklaarde hebben schuldig gemaakt’ betreffen. In bewijsvoering ligt immers besloten dat het voor verdachte en haar medeverdachte duidelijk is geweest dat pintransacties niet konden worden uitgevoerd zonder daaraan voorafgaande diefstal van die passen en zonder het (telefonisch) ontfutselen van pincodes van passen. Ook kon hof o.b.v. inhoud van wettige bewijsmiddelen oordelen dat voldoende aannemelijk is geworden dat daders van diefstal van pinpassen uit woning van aangeefster moeten worden gezocht onder daders van meermalen gepleegde diefstal van (gepind) geld met behulp van diezelfde pinpassen. Dit is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. Samenhang met RvdW 2024/90 en met 22/02007 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o).
HR 10-12-2024, ECLI:NL:HR:2024:1845
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10 december 2024
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, A.L.J. van Strien, C.N. Dalebout
- Zaaknummer
22/02169
- Conclusie
​A-G mr. D.J.C. Aben
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Materieel strafrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2024:1845, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑12‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:1101, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 22‑10‑2024
Essentie
Medeplegen diefstal d.m.v. valse sleutel door geldbedragen op te nemen van bankrekening van 89-jarige vrouw met behulp van haar pinpassen die zijn verkregen d.m.v. babbeltruc, art 311 lid 1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt t.a.v. betrouwbaarheid herkenning verdachte op camerabeelden door 2 verbalisanten, art. 359 lid 2 Sv. 2. Strafmotivering (gevangenisstraf van 4 maanden), niet tlgd. en bewezenverklaard feit meegewogen bij strafoplegging. Kon hof het feitelijke wegnemen van passen alsmede omstandigheid dat aangeefster daardoor niet alleen is beroofd maar ook in haar persoonlijke levenssfeer is aangetast, betrekken bij strafoplegging? Ad. 1. ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.