Einde inhoudsopgave
RvdW 2025/68
Verlaten plaats ongeval, art. 7 lid 1 WVW 1994. Schending informatieplicht art. 27c lid 2 Sv voor verhoor van niet-aangehouden verdachte. Verweer dat opsporingsambtenaren de verdachte hadden moeten wijzen op zijn recht op rechtsbijstand, voordat ze hem in zijn woning vragen stelden over zijn betrokkenheid bij strafbaar feit, art. 359a Sv. Art. 29 lid 2 Sv beoogt verdachte te behoeden tegen ongewilde medewerking aan zijn eigen veroordeling. O.g.v. die bepaling moet verdachte voor verhoor worden medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden en moet die mededeling in p-v worden opgenomen. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR 15 juni 2021, RvdW 2021/692, m.b.t. redelijk vermoeden van schuld en verhoorsituatie en uit HR 20 maart 2018, NJ 2018/243, m.nt. J.M. Reijntjes, inhoudende dat aan niet-aangehouden verdachte voorafgaand aan zijn eerste verhoor mededeling moet worden gedaan van recht op rechtsbijstand en dat niet-naleving van dat voorschrift in beginsel vormverzuim a.b.i. art. 359a Sv oplevert. Hof heeft verweer verworpen op de grond dat geen sprake was van redelijk vermoeden van schuld aan strafbaar feit toen opsporingsambtenaren aan verdachte in zijn woning vroegen ‘wat hij vanochtend had gedaan’ en (na zijn antwoord dat hij zijn dochter naar school had gebracht) ‘of er ook niet iets was wat zij moesten weten’. Dat oordeel is niet zonder meer begrijpelijk. Gelet op omstandigheden, zoals deze blijken uit het door hof voor bewijs gebruikte p-v van bevindingen, dat verdachte voldeed aan signalement van de bij ongeval betrokken bestuurder en dat opsporingsambtenaren bij hem waren gekomen door tip dat hij eigenaar was van de in zijn straat geparkeerde auto (met mogelijke schade aan de voorzijde) die wat betreft merk, type, kleur en door getuigen waargenomen deel van kenteken overeenkwam met de bij ongeval betrokken auto, kunnen aan verdachte gestelde vragen niet anders worden opgevat dan als vragen over zijn betrokkenheid bij strafbaar feit (verlaten plaats ongeval) ten aanzien waarvan hij als verdachte is aangemerkt. Volgt vernietiging en terugwijzing.
HR 03-12-2024, ECLI:NL:HR:2024:1781
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
3 december 2024
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, A.E.M. Röttgering, R. Kuiper
- Zaaknummer
21/05215
- Conclusie
​A-G mr. A.E. Harteveld
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Politierecht / Bevoegdheden
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2024:1781, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑12‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:1040, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 22‑10‑2024
Essentie
Verlaten plaats ongeval, art. 7 lid 1 WVW 1994. Schending informatieplicht art. 27c lid 2 Sv voor verhoor van niet-aangehouden verdachte. Verweer dat opsporingsambtenaren de verdachte hadden moeten wijzen op zijn recht op rechtsbijstand, voordat ze hem in zijn woning vragen stelden over zijn betrokkenheid bij strafbaar feit, art. 359a Sv. Art. 29 lid 2 Sv beoogt verdachte te behoeden tegen ongewilde medewerking aan zijn eigen veroordeling. O.g.v. die bepaling moet verdachte voor verhoor worden medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden en moet die mededeling in p-v worden opgenomen. ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.