RvdW 2026/498:Art. 416 lid 2 Sv na veroordeling t.z.v. diefstal (met geweld) (art. 310 en art. 312 lid 1 Sr), mishandeling (meermalen gepleegd) (art. 300 lid 1 Sr) en lokaalvredebreuk (art. 138 lid 1 Sr). Ontvankelijkheid hoger beroep, appelschriftuur bij stukken. Kon hof (enkelvoudige kamer) oordelen dat verdachte geen bezwaren heeft opgegeven tegen vonnis Pr en dat verdachte mede daarom ex art. 416 lid 2 Sv n-o wordt verklaard in h.b., nu hof geen acht heeft geslagen op inhoud van ‘schriftuur houdende grieven ex art. 410 Sv’ van raadsman, die zich bij stukken bevindt en die tijdig is ontvangen door griffier Rb? HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Bij stukken bevindt zich ‘schriftuur houdende grieven ex art. 410 Sv’ die door raadsman tijdig is ingediend en door griffier Rb is ontvangen. V.zv. hof heeft geoordeeld dat appelschriftuur in het geheel ontbreekt, is dat oordeel niet begrijpelijk. V.zv. in ’s hofs oordeel besloten ligt dat appelschriftuur geen grieven a.b.i. art. 410 Sv bevat, getuigt dat oordeel van onjuiste rechtsopvatting, nu uit rechtspraak HR volgt dat aan formulering van grieven geen hoge eisen worden gesteld. Wel moeten opgegeven grieven duidelijk maken wat inzet van h.b. is. Namens verdachte is in appelschriftuur te kennen gegeven dat h.b. is gericht tegen ‘strafmaat, gedeeltelijke toewijzing van tul vordering en gedeeltelijke toewijzing van vordering tot schadevergoeding’. Gelet hierop is ’s hofs oordeel dat verdachte ex art. 416 lid 2 Sv n-o is in h.b. niet begrijpelijk. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met RvdW 2026/498 en RvdW 2026/499.