Einde inhoudsopgave
RvdW 2026/493
Opzettelijk niet doen van aangiften vennootschapsbelasting ten name van rechtspersonen, art. 69 lid 1 AWR. 1. Bewijsklacht. Kan verdachte als pleger worden aangemerkt, nu hij niet hoedanigheid van ‘aangifteplichtige’ heeft? 2. Volgens daarvan opgemaakte akten is beroep o.m. niet gericht tegen vrijspraak van tlgd. medeplegen. Toelaatbare beperking cassatieberoep? Ad 1. Art. 69 lid 1 AWR stelt o.a. strafbaar ‘degene die opzettelijk een bij belastingwet voorziene aangifte niet doet’. Als pleger van niet doen van een bij belastingwet voorziene aangifte moet worden aangemerkt degene die tot doen van aangifte gehouden is. Verplichting tot doen van aangifte vloeit niet rechtstreeks voort uit belastingwet; zij ontstaat pas door uitreiking van aangiftebiljet aan belastingplichtige. Deze aangifteplicht kan aldus slechts worden vastgesteld bij degene die tot doen van aangifte is uitgenodigd als voorzien in art. 8 lid 1 AWR (vgl. ECLI:NL:HR:2003:AL6161 en HR 28 januari 2020, NJ 2020/157, m.nt. G.J.M.E. de Bont). Hof heeft kennelijk geoordeeld dat verdachte moet worden aangemerkt als degene die tot doen van de in bewezenverklaring genoemde aangiften vennootschapsbelasting voor A B.V. en B B.V. gehouden was. Dat oordeel geeft blijk van onjuiste rechtsopvatting omdat wettelijke aangifteplicht rust op vennootschap waaraan aangiftebiljet blijkens tenaamstelling daarvan is uitgereikt en op belastingplicht van welke vennootschap die aangifte betrekking heeft, en niet (ook) op degene die als vertegenwoordiger of gemachtigde namens vennootschap aangiftebiljet feitelijk in ontvangst heeft genomen of aangifte feitelijk heeft gedaan (vgl. ECLI:NL:HR:2006:AU8286 en HR 28 januari 2020, NJ 2020/157, m.nt. G.J.M.E. de Bont). HR merkt op dat art. 47 tot en met 51 Sr verschillende mogelijkheden bieden om degene die anders dan als pleger betrokken is bij niet doen van een bij belastingwet voorziene aangifte, onder voorwaarden strafrechtelijk aansprakelijk te stellen voor die betrokkenheid. Ad 2. Aan deze beperking moet worden voorbijgegaan om reden zoals uiteengezet in HR 31 mei 2013, NJ 2018/59, m.nt. P.A.M. Mevis. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing. Samenhang met RvdW 2026/492 en RvdW 2026/494.
HR 24-03-2026, ECLI:NL:HR:2026:424
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
24 maart 2026
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, E.F. Faase, T. Kooijmans, T.B. Trotman, F. Damsteegt
- Zaaknummer
23/00760
- Conclusie
A-G mr. P.M. Frielink
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Fiscaal strafrecht (V)
Materieel strafrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2026:424, Uitspraak, Hoge Raad, 24‑03‑2026
ECLI:NL:PHR:2026:67, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 13‑01‑2026
Essentie
Opzettelijk niet doen van aangiften vennootschapsbelasting ten name van rechtspersonen, art. 69 lid 1 AWR. 1. Bewijsklacht. Kan verdachte als pleger worden aangemerkt, nu hij niet hoedanigheid van ‘aangifteplichtige’ heeft? 2. Volgens daarvan opgemaakte akten is beroep o.m. niet gericht tegen vrijspraak van tlgd. medeplegen. Toelaatbare beperking cassatieberoep? Ad 1. Art. 69 lid 1 AWR stelt o.a. strafbaar ‘degene die opzettelijk een bij belastingwet voorziene aangifte niet doet’. Als pleger van niet doen van een bij belastingwet voorziene aangifte moet worden aangemerkt degene die tot doen van aangifte gehouden is. Verplichting tot doen van aangifte ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.