Einde inhoudsopgave
RvdW 2026/489
Betoging a.b.i. art. 9 Grondwet. Art. 2:50 APV Den Haag had buiten toepassing moeten worden gelaten.
HR 24-03-2026, ECLI:NL:HR:2026:483
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
24 maart 2026
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, A.L.J. van Strien, T. Kooijmans
- Zaaknummer
23/01771
- Conclusie
A-G mr. D.J.M.W. Paridaens
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Openbare orde
Staatsrecht / Grondrechten
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2026:483, Uitspraak, Hoge Raad, 24‑03‑2026
ECLI:NL:PHR:2026:45, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 13‑01‑2026
Beroepschrift, Hoge Raad, 22‑07‑2025
- Wetingang
Essentie
De kantonrechter heeft bewezenverklaard dat de verdachte zich op een hinderlijke wijze heeft opgehouden in het belastingkantoor. In de uitspraak van de kantonrechter ligt besloten dat dit ophouden onderdeel was van een betoging als bedoeld in art. 9 lid 1 Grondwet. Gelet hierop getuigt het oordeel van de kantonrechter dat art. 2:50 APV Den Haag niet buiten toepassing hoeft te worden gelaten, van een onjuiste rechtsopvatting.
Samenvatting
De kantonrechter heeft overwogen dat art. 2:50 APV Den Haag een wet in materiële zin betreft die niet ziet op het recht op betoging en dat geen grond bestaat ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.