Einde inhoudsopgave
RvdW 2025/522
Mishandeling van zijn levensgezel, art. 304 lid 1 Sr jo. art. 300 lid 1 Sr. Dubbel verstek. Hof heeft verdachte n-o verklaard in zijn hoger beroep, omdat het te laat is ingesteld, art. 408 lid 1 sub c Sv. 1. Betekening dagvaarding in h.b., art. 36e lid 1 sub b onder 2 Sv. Had dagvaarding in h.b. moeten worden betekend op het door verdachte bij het instellen van h.b. opgegeven adres in akte instellen h.b. en schriftelijke bijzondere volmacht tot instellen h.b.? 2. Aanwezigheidsrecht, art. 36g lid 1 sub c Sv. Kon hof verstek verlenen tegen niet-verschenen verdachte? Ad 1. Als niet-gedetineerde verdachte niet staat ingeschreven in BRP maar van hem wel (feitelijke) woon- of verblijfplaats bekend is, moet uitreiking van dagvaarding o.g.v. art. 36e lid 1 sub b onder 2 Sv op dat adres plaatsvinden (vgl. HR 12 maart 2002, NJ 2002/317, m.nt. T.M. Schalken). Onbekendheid met feitelijke woon- of verblijfplaats kan o.m. niet worden aangenomen als niet is geprobeerd uitreiking van dagvaarding te doen plaatsvinden op adres dat uit stukken blijkt, voor de hand ligt en redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van verdachte zou kunnen gelden. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om adres dat verdachte in akte van h.b. heeft doen opnemen. Dit adres moet niet door latere opgave zijn achterhaald (vgl. HR 12 maart 2002, NJ 2002/317, m.nt. T.M. Schalken). Zo’n adres dat in akte van h.b. is opgenomen, kan als achterhaald worden aangemerkt, als het gaat om adres dat op moment dat die akte werd opgemaakt BRP-adres van verdachte betrof, terwijl daarna (maar voor moment van uitreiking van dagvaarding) verdachte is uitgeschreven uit BRP. A.g.v. die uitschrijving wordt dat adres niet langer aangemerkt als feitelijke woon- of verblijfplaats van verdachte (vgl. HR 27 september 2011, NJ 2011/457). Uit stukken blijkt dat verdachte in BRP stond ingeschreven op adres A van 2 december 2020 tot 22 november 2021. Met ingang van 22 november 2021 is hij in BRP geregistreerd als niet-ingezetene met vermelding “Vertrokken Onbekend Waarheen (VOW)”. V.zv. wordt aangevoerd dat ’s hofs oordeel dat dagvaarding in h.b. geldig is betekend door uitreiking van dagvaarding aan medewerker OM, volgend op pogingen tot uitreiking van dagvaarding op adres B en verzending van afschrift van dagvaarding naar dat adres, niet zonder meer begrijpelijk is, is het terecht voorgesteld. Blijkens stukken is immers adres B in informatiestaat SKDB opgenomen met als registratiedatum 26 oktober 2020, terwijl (gelet op akte van h.b. van 9 augustus 2021 en daarbij gevoegde schriftelijke bijzondere volmacht van 29 juli 2021 (nadien door verdachte ook adres A was opgegeven en redelijkerwijs als (feitelijke) woon- of verblijfplaats van verdachte kon gelden. Uit stukken blijkt niet dat tevens tot betekening aan adres A is overgegaan. Dit leidt echter niet tot cassatie. Uit stukken blijkt namelijk dat adres A dat is opgenomen in akte van h.b. van 9 augustus 2021 en daarbij gevoegde schriftelijke bijzondere volmacht van 29 juli 2021, op die data BRP-adres van verdachte was en verder dat nadien (op 22 november 2021) adresvermelding in BRP is gewijzigd in “Vertrokken Onbekend Waarheen (VOW)”. Daaruit volgt dat adres A op data waarop telkens is getracht dagvaarding uit te reiken (11 februari 2022, 17 februari 2022 en 26 februari 2022) en datum waarop is overgegaan tot uitreiking van dagvaarding aan medewerker OM (9 maart 2022), als achterhaald kon worden aangemerkt. Er bestond op 11 februari 2022, 17 februari 2022 en 26 februari 2022 en 9 maart 2022 dus geen verplichting o.g.v. art. 36e lid 1 sub b onder 2 Sv om op adres A tot uitreiking van dagvaarding over te gaan of o.g.v. art. 36e lid 2 sub b Sv om afschrift van dagvaarding naar dat adres te verzenden. Hof heeft daarom kunnen oordelen dat betekening van dagvaarding in h.b. op juiste wijze heeft plaatsgevonden, wat er ook zij van motivering van dat oordeel. Ad 2. Voor toepassing van regeling van art. 36g Sv moet adres A dat is opgenomen in akte van h.b. en daarbij gevoegde schriftelijke volmacht, worden aangemerkt als opgave van adres a.b.i. art. 36g lid 1 sub c Sv, waaraan mededelingen over strafzaak kunnen worden toegezonden. Uit stukken kan niet blijken dat afschrift van dagvaarding in h.b. aan dit adres is gezonden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is gebeurd. Die stukken houden ook niets in waaruit kan volgen dat die verzending o.g.v. art. 36g lid 3 Sv achterwege kon blijven. Daarbij is van belang dat het door verdachte opgegeven adres op het moment van instellen van h.b. weliswaar zijn BRP-adres was maar aan dit adres is niet dagvaarding in h.b. uitgereikt. Verder moet worden aangenomen (o.g.v. de door gemeente opgenomen vermelding “Vertrokken Onbekend Waarheen (VOW)”) dat verdachte, nadat hij zijn BRP-adres op moment van instellen van h.b. had opgegeven, dat adres niet zelf heeft gewijzigd of heeft doen wijzigen in BRP. Van geval a.b.i. art. 36g lid 3 sub a of 36g lid 3 sub c Sv is daarom niet sprake. Een en ander brengt met zich dat hof ervan blijk had moeten geven te hebben onderzocht of er reden was onderzoek ttz. te schorsen om verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij onderzoek ttz. tegenwoordig te zijn. Van zo’n onderzoek blijkt niet (vgl. HR 27 november 2012, NJ 2012/695). Volgt vernietiging en terugwijzing.
HR 01-04-2025, ECLI:NL:HR:2025:506
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
1 april 2025
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, C. Caminada, F. Posthumus
- Zaaknummer
22/02031
- Conclusie
plv. A-G mr. V.M.A. Sinnige
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Rechtsmiddelen
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:506, Uitspraak, Hoge Raad, 01‑04‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:74, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 21‑01‑2025
Essentie
Mishandeling van zijn levensgezel, art. 304 lid 1 Sr jo. art. 300 lid 1 Sr. Dubbel verstek. Hof heeft verdachte n-o verklaard in zijn hoger beroep, omdat het te laat is ingesteld, art. 408 lid 1 sub c Sv. 1. Betekening dagvaarding in h.b., art. 36e lid 1 sub b onder 2 Sv. Had dagvaarding in h.b. moeten worden betekend op het door verdachte bij het instellen van h.b. opgegeven adres in akte instellen h.b. en schriftelijke bijzondere volmacht tot instellen h.b.? 2. Aanwezigheidsrecht, art. 36g lid 1 sub c ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.