RvdW 2025/546:Belaging van ex-partner, meermalen gepleegd (zaken A en B), art. 285b lid 1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg in zaak A. Ambtshalve toetsing van verjaring na indiening schriftuur, art. 70 lid 1 onder 2 jo. art. 72 lid 2 Sr. Ontvankelijkheid vordering benadeelde partij. HR ambtshalve: Aan verdachte is in zaak A tlgd. belaging van b.p. Feit is volgens tll. begaan in periode van 1 februari 2012 tot en met 5 februari 2013. O.g.v. art. 70 lid 1 onder 2 jo art. 72 lid 2 Sr beloopt verjaringstermijn in dit geval ten hoogste 2 maal 6 jaren, dus in totaal 12 jaren. Daarom is recht tot strafvordering wegens verjaring vervallen wat betreft het in zaak A tlgd. Cassatieschriftuur is op 11 augustus 2023 namens verdachte ingediend. Gelet op wat is overwogen over ambtshalve toetsing van verjaring in cassatie in HR 30 oktober 2018, NJ 2018/475, m.nt. W.H. Vellinga, zal HR het OM n-o verklaren in vervolging wat betreft feit in zaak A. Nu OM in zoverre n-o zal worden verklaard in vervolging, zal HR de b.p. n-o verklaren in haar vordering tot schadevergoeding in zaak A en proceskosten in die zaak compenseren in die zin dat iedere partij eigen kosten draagt. HR zal in zaak B verstaan dat hof de vordering b.p. heeft toegewezen tot bedrag van € 750, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 22 september 2013, en duur van gijzeling in die zaak bepalen op ten hoogste 15 dagen. HR verklaart OM n-o in vervolging wat betreft het in zaak A tlgd. en verklaart in die zaak b.p. n-o. CAG: anders. Samenhang met RvdW 2025/545.