RvdW 2024/983:Ontucht door als masseur en heler/behandelaar van vrouwen met (seksuele) trauma’s tijdens behandelsessies/massages ongevraagd en ongewenst seksuele handelingen bij hen te verrichten, art. 249 lid 2 onder 3 Sr. 1. Discrepantie tussen strafoplegging en strafmotivering, duur van ontzetting van recht tot uitoefening van beroep (art. 31 lid 1 onder 2 Sr). Strafoplegging onbegrijpelijk, nu volgens dictum beroepsverbod van 5 jaren is opgelegd, terwijl hof blijkens strafmotivering heeft bedoeld beroepsverbod van 3 jaren op te leggen? 2. Duur vrijheidsbeperkende maatregel, art. 38v lid 3 Sr. Kon hof gelet op art. 1 lid 1 Sr contactverbod van 3 jaren opleggen? 3. Maximale duur van gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. Ad 1. Hof heeft verdachte een ontzetting van recht tot uitoefening van beroep voor 5 jaren opgelegd en daarbij acht geslagen op art. 31 Sr. Art. 31 lid 1 onder 2 Sr houdt in dat (bij veroordeling tot tijdelijke gevangenisstraf) duur van ontzetting van recht de duur van hoofdstraf minimaal 2 en maximaal 5 jaren te boven gaat. In het licht van wetsgeschiedenis van art. 31 Sr moet rechter daarbij uitgaan van onvoorwaardelijk deel van opgelegde gevangenisstraf. Gelet daarop en op de door hof opgelegde gevangenisstraf (van 36 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk), berust vermelding ‘voor termijn van 3 jaren’ (in strafmotivering) op kennelijke verschrijving. Onvoorwaardelijk deel van de door hof opgelegde gevangenisstraf beloopt immers 28 maanden, zodat in strafmotivering genoemde ‘termijn van 3 jaren’ (anders dan in dictum van hof bepaalde termijn van 5 jaren) niet voldoet aan de in art. 31 lid 1 onder 2 Sr bepaalde minimale duur van ontzetting van recht tot uitoefening van beroep. Ad 2. Hof heeft verdachte voor het jegens A op 30 juni 2015 gepleegde feit o.m. veroordeeld tot vrijheidsbeperkende maatregel van 3 jaren die inhoudt dat verdachte op geen enkele wijze (direct of indirect) contact zal opnemen, zoeken of hebben met A. Op gronden vermeld in ECLI:NL:HR:2024:835 is middel terecht voorgesteld. HR zal zaak in dit opzicht zelf afdoen en door hof opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel t.a.v. A bepalen op de t.t.v. bewezenverklaard feit maximale duur van 2 jaren. Ad 3. Duur van gijzeling beloopt ten hoogste 1 jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder 1 jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. NJ 2022/199). HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van 60, 60, 120, 60 en 60 dagen kan worden toegepast. CAG: anders t.a.v. duur van ontzetting van recht tot uitoefening van beroep.