Einde inhoudsopgave
RvdW 2024/994
Mishandeling door ander in hoop bladeren te duwen (art. 300 lid 1 Sr) en bedreiging (art. 285 lid 1 Sr). 1. Bewijsklacht mishandeling. Volgt uit ’s hofs bewijsvoering dat slachtoffer pijn en letsel is toegebracht? 2. Strafmotivering (gevangenisstraf van 8 weken, waarvan 3 weken voorwaardelijk, en vrijheidsbeperkende maatregel). Wekt opgelegde gevangenisstraf mede gelet op LOVS-oriëntatiepunten verbazing? Wordt vrijheidsbeperkende maatregel uitgezonderd van vernietiging t.a.v. strafoplegging? Ad 1. Onder ‘mishandeling’ a.b.i. art. 300 Sr moet worden verstaan het opzettelijk aan ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn, het opzettelijk benadelen van gezondheid en (onder omstandigheden) het opzettelijk bij ander teweegbrengen van min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan lichaam, een en ander zonder dat daarvoor rechtvaardigingsgrond bestaat (vgl. NJ 2014/402). Uit bewijsmiddelen kan niet zonder meer worden afgeleid dat verdachte de ander heeft ‘mishandeld’ in hiervoor weergegeven zin. ’s Hofs uitspraak is ten aanzien daarvan dus ontoereikend gemotiveerd. Ad 2. Gelet op beslissing HR die inhoudt dat ’s hofs uitspraak onder meer wat betreft strafoplegging wordt vernietigd, is bespreking van middel niet nodig. HR merkt op dat door hof opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel buiten deze vernietiging wordt gehouden om redenen vermeld in CAG. Oplegging van vrijheidsbeperkende maatregel door hof moet daarbij zo worden verstaan dat aan verdachte 1 vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd waarbij verdachte wordt bevolen zich niet op te houden in bepaald gebied en tevens wordt bevolen zich te onthouden van contact met bepaalde personen en dat duur van vervangende hechtenis die ten hoogste ten uitvoer kan worden gelegd voor iedere keer dat niet aan 1 van die verplichtingen wordt voldaan 2 weken bedraagt, waarbij o.g.v. art. 38w lid 3 Sr van rechtswege geldt dat totale duur van ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis ten hoogste 6 maanden bedraagt (vgl. ECLI:NL:HR:2023:282). Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.
HR 15-10-2024, ECLI:NL:HR:2024:1459
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
15 oktober 2024
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, M. Kuijer, C. Caminada
- Zaaknummer
22/02576
- Conclusie
​plv. A-G mr. M.E. van Wees
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
Materieel strafrecht / Sancties
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2024:1459, Uitspraak, Hoge Raad, 15‑10‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:654, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 02‑07‑2024
Essentie
Mishandeling door ander in hoop bladeren te duwen (art. 300 lid 1 Sr) en bedreiging (art. 285 lid 1 Sr). 1. Bewijsklacht mishandeling. Volgt uit ’s hofs bewijsvoering dat slachtoffer pijn en letsel is toegebracht? 2. Strafmotivering (gevangenisstraf van 8 weken, waarvan 3 weken voorwaardelijk, en vrijheidsbeperkende maatregel). Wekt opgelegde gevangenisstraf mede gelet op LOVS-oriëntatiepunten verbazing? Wordt vrijheidsbeperkende maatregel uitgezonderd van vernietiging t.a.v. strafoplegging? Ad 1. Onder ‘mishandeling’ a.b.i. art. 300 Sr moet worden verstaan het opzettelijk aan ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn, het opzettelijk benadelen van gezondheid en (onder omstandigheden) ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.