RvdW 2024/996:Rijden onder invloed van amfetamine en GHB (art. 8 lid 5 WVW 1994) en rijden met ongeldig verklaard rijbewijs (art. 9 lid 2 WVW 1994). Dubbel verstek. Hof (enkelvoudige kamer) heeft verdachte n-o verklaard in zijn hoger beroep, omdat het te laat is ingesteld, art. 408 lid 1 sub c Sv. Kan uit brief van verdachte aan centrale balie en e-mailbericht van verdachte aan hof/ressortsparket worden afgeleid dat dag van tz. in eerste aanleg de verdachte voorafgaand aan (aanvang van) die tz. bekend was? In het licht van geschiedenis van art. 408 Sv brengt redelijke wetsuitleg mee dat art. 408 lid 1 sub c Sv inhoudt dat als zich omstandigheid voordoet waaruit blijkt dat dag van (nadere) tz. de verdachte voorafgaand aan (aanvang van) die (nadere) tz. bekend was, beroepstermijn van 14 dagen na einduitspraak geldt. Die bepaling strekt immers niet ertoe te bewerkstelligen dat verdachte na het bekend raken met dag van tz. nog mogelijkheid heeft te verschijnen op die tz., maar betreft omstandigheid of van verdachte in redelijkheid kan worden verwacht dat hij n.a.v. deze wetenschap het nodige zal doen om zich op de hoogte te stellen van verder verloop van zijn strafzaak (vgl. NJ 2017/356). ’s Hofs oordeel dat verdachte n-o is in h.b. omdat zich gelet op inhoud van e-mailbericht van verdachte en brief van verdachte een omstandigheid a.b.i. art. 408 lid 1 sub c Sv heeft voorgedaan die zou meebrengen dat verdachte binnen 14 dagen na vonnis Rb h.b. had moeten instellen, is niet zonder meer begrijpelijk. Uit deze stukken noch anderszins blijkt immers dat dag van tz. in e.a. de verdachte voorafgaand aan (aanvang van) die tz. bekend was. Volgt vernietiging en terugwijzing.