Einde inhoudsopgave
RvdW 2024/993
Witwassen van geldbedrag (€ 127.670), art. 420bis lid 1 sub b Sr. 1. Bewijsklacht ‘afkomstig uit enig misdrijf’. Is sprake van concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring (verdachte vervoerde geld voor vriend en geld behoorde toe aan familie). 2. Laatste woord, art. 311 lid 4 Sv. Heeft gemachtigde raadsman de gelegenheid gehad om het laatst te spreken? HR: art. 81 lid 1 RO.
HR 15-10-2024, ECLI:NL:HR:2024:1426
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
15 oktober 2024
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, A.E.M. Röttgering, T. Kooijmans
- Zaaknummer
22/02363
- Conclusie
A-G mr. B.F. Keulen
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2024:1426, Uitspraak, Hoge Raad, 15‑10‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:747, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 09‑07‑2024
Essentie
Witwassen van geldbedrag (€ 127.670), art. 420bis lid 1 sub b Sr. 1. Bewijsklacht ‘afkomstig uit enig misdrijf’. Is sprake van concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring (verdachte vervoerde geld voor vriend en geld behoorde toe aan familie). 2. Laatste woord, art. 311 lid 4 Sv. Heeft gemachtigde raadsman de gelegenheid gehad om het laatst te spreken? HR: art. 81 lid 1 RO.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02363
Datum 15 oktober 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.