Einde inhoudsopgave
RvdW 2025/69
Verduistering crossmotor tijdens proefrit (art. 321 Sr). Schending cautieplicht art. 29 lid 2 Sv en informatieplicht art. 27c lid 2 Sv voor verhoor van niet-aangehouden verdachte. Verweer dat opsporingsambtenaar verplicht was cautie te geven aan verdachte en hem te wijzen op zijn recht op rechtsbijstand, voordat hij hem aansprak op het rijden met een van diefstal afkomstige crossmotor, art. 359a Sv. Art. 29 lid 2 Sv beoogt verdachte te behoeden tegen ongewilde medewerking aan zijn eigen veroordeling. O.g.v. die bepaling moet verdachte voor verhoor worden medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden en moet die mededeling in p-v worden opgenomen. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR 15 juni 2021, RvdW 2021/692, m.b.t. redelijk vermoeden van schuld en verhoorsituatie en uit HR 20 maart 2018, NJ 2018/243, m.nt. J.M. Reijntjes, inhoudende dat aan niet-aangehouden verdachte voorafgaand aan zijn eerste verhoor mededeling moet worden gedaan van recht op rechtsbijstand en dat niet-naleving van dat voorschrift in beginsel vormverzuim a.b.i. art. 359a Sv oplevert. Hof heeft het tot bewijsuitsluiting strekkende verweer verworpen op grond dat geen sprake was van redelijk vermoeden van schuld aan strafbaar feit toen verdachte door opsporingsambtenaar werd aangesproken. Dat oordeel is niet zonder meer begrijpelijk. Uit p-v van bevindingen van politie volgt immers allereerst dat opsporingsambtenaar al voordat hij verdachte aansprak, hem had herkend op camerabeelden waarop dader van diefstal of verduistering van crossmotor te zien zou zijn. Verder volgt daaruit dat opsporingsambtenaar vervolgens verdachte heeft geconfronteerd met die herkenning, hem heeft gezegd dat hij verdachte had zien rijden op crossmotor die van diefstal afkomstig was en dat het opsporingsambtenaar verbaasde dat verdachte ‘betrokkenheid heeft bij dit soort praktijken’, waarmee opsporingsambtenaar kennelijk reactie van verdachte m.b.t. zijn betrokkenheid bij strafbaar feit (diefstal of verduistering van die crossmotor) wilde verkrijgen en waardoor sprake was van verhoor a.b.i. art. 29 lid 2 Sv. Dit hoeft echter bij gebrek aan belang niet tot cassatie te leiden. Gelet op inhoud van bewijsmiddelen is bewezenverklaring (ook met weglating van verklaring van verdachte) toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.
HR 03-12-2024, ECLI:NL:HR:2024:1769
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
3 december 2024
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, A.L.J. van Strien, C.N. Dalebout
- Zaaknummer
22/02386
- Conclusie
​A-G mr. D.J.M.W. Paridaens
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Politierecht / Bevoegdheden
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2024:1769, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑12‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:994, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 01‑10‑2024
Essentie
Verduistering crossmotor tijdens proefrit (art. 321 Sr). Schending cautieplicht art. 29 lid 2 Sv en informatieplicht art. 27c lid 2 Sv voor verhoor van niet-aangehouden verdachte. Verweer dat opsporingsambtenaar verplicht was cautie te geven aan verdachte en hem te wijzen op zijn recht op rechtsbijstand, voordat hij hem aansprak op het rijden met een van diefstal afkomstige crossmotor, art. 359a Sv. Art. 29 lid 2 Sv beoogt verdachte te behoeden tegen ongewilde medewerking aan zijn eigen veroordeling. O.g.v. die bepaling moet verdachte voor verhoor worden medegedeeld dat hij niet ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.