Einde inhoudsopgave
Re-integratie zieke werknemer (MSR nr. 66) 2014/6.9.8
6.9.8 Civielrechtelijke aspecten
mr.dr. G.A. Diebels, datum 24-09-2014
- Datum
24-09-2014
- Auteur
mr.dr. G.A. Diebels
- JCDI
JCDI:ADS579183:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Rechtswetenschap / Algemeen
Sociale zekerheid arbeidsongeschiktheid / Re-integratie
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
W.C.L. van der Grinten, bewerkt door J.W.M. van der Grinten en W.H.A.C.M. Bouwens, Arbeidsovereenkomstenrecht, Deventer: Kluwer 2008, p.115.
Noordam 2003, p.445-446. De legitimiteit van deze ingreep is betwijfeld, I.P. Asscher-Vonk, SMA 2002, nr.6, p.343-345.
Kamerstukken II 2000/01, 27 678, nr.3, p.28 en HR 28 mei 1999, NJ 1999, 508, kritisch daarover: P.C. Vas Nunes en H. Funke, ‘Poortwachter: nieuwe lente of 1-aprilgrap?’, ArbeidsRecht 2002/39, p.61, J. Riphagen, Tekst & Commentaar Arbeidsrecht, Deventer: Kluwer 2004, p.227.
Ktr Zaandam, 2 maart 2006, USZ 2006/159 m.nt. Barentsen oordeelde zelf dat de loonsanctiebeslissing onterechtwas. De Ktr. wees de loonvordering van de werkneemster af zonder dat de werkgever bezwaar had gemaakt. Volgens Hof Amsterdamwas dat een miskenning van de formele rechtskracht van het UWV-besluit. Omdat de werkneemster ook fouten had gemaakt in de re-integratie werd de gevraagde wettelijke verhoging niet toegewezen, Hof Amsterdam 24 mei 2007, ECLI:NL: GHAMS:2007:BB3133.
Art. 7:629 lid 11 sub a BW.
CRvB 15 augustus 2012 LJN BX 6447, herhaald 3 april 2013 LJN BZ6132.
CRvB 3 april 2013, LJN BZ6132, Rijpkema, p.87.
CRvB 4 mei 2011, LJN BQ3800.
Disselkoen, p.34.
G.C. Boot, ‘De zieke werknemer: de publiekrechtelijke kant’, ArbeidsRecht 2003/39, p.29.
Vas Nunes/Funke, p.61.
C.J. Frikkee, ‘Hoogte loondoorbetalingsverplichting bij sanctie’ TRA 2010/70, p.29-30.
C.S. Kehrer-Bot, ‘Driemaal is scheepsrecht: de loondoorbetaling in het derde ziektejaar’, TAP 2010/ 4, p.145-152.
M.S.A. Vegter, noot onder Hof Arnhem 9 november 2004, JAR 2005, 81.
Ktr. Amsterdam 31 juli 1998, JAR 1998/190, Ktr. Amersfoort 5 augustus 2004, JAR 2004/241, Ktr. Den Bosch 18 november 2004, JAR 2005/4, Ktr. Wageningen 16 februari 2005, RAR 2005, 61, Ktr. Zwolle 23 januari 2013 LJN BZ0922: anders: Ktr. Utrecht 13 mei 2009, LJN BK9352, JAR 2010/10 met kritische noot Frikkee in TRA 2010/70.
CRvB 27 augustus 2008, LJN BE9370 en BE9388, die dat baseert op de samenhang tussen art. 7:629 BW en art. 71a WAO, herhaald op 19 december 2008 LJN BG8146 en 28 juli 2010, ECLI:NL: CRVB:2010:BN2757. CRvB noemt in die zaken als ondergrens het minimumloon. Uit de uitspraken is niet af te leiden of de eerste ziektedag dateert van voor 1 januari 2004, toen de loondoorbetaling nog één jaar was, met een minimum van het minimumloon. Pas na 1 januari 2004 is betaling in het tweede ziektejaar van 70% van het wettelijk minimumloon mogelijk geworden.
CRvB 4 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2674.
Op basis van art. 6:203 BW, zie Ktr. Heerlen 6 maart 2002, JAR 2002/91.
Ktr. Leeuwarden 30 maart 2001, JAR 2001/149, zie ook: Ktr. Delft 13 februari 1997, Prg. 1997, 4770, Ktr. Hoorn 18 februari 2002, JAR 2002/172.
J. Riphagen, T&C Arbeidsrecht 2004, p.226: voor WAO-situatie.
CRvB 13 juli 2005, USZ 2005/289 m.nt. B. Barentsen.
Rb. Den Bosch 5 november 2007, LJN BB7935, Rb. Maastricht 29 januari 2008, LJN BC4102 en o.a. CRvB 27 augustus 2008, LJN BE9369/9377/9379/9380 en 9389. De dekking voor deze uitgaven kan worden gevonden in het uitsluiten van het recht op uitbetaling van de uitkering voor de periode dat de werknemer onterecht loon doorbetaald heeft gekregen, Rijpkema, p.109-110.
CRvB 27 augustus 2008, LJN BE9378, herhaald op 19 december 2008, LJN BG8146 en 28 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN2757.
Rb. Arnhem 13 december 2007, LJN BC0281 en o.a. CRvB 27 augustus 2008, LJN BE9369.
CRvB 25 februari 2009, LJN BH6077, waarin van belang was dat de werknemer naast onverschuldigd betaald loon ook een WW-uitkering had ontvangen én het UWV het proceskostenrisico voor de werkgever wilde dragen.
CRvB 20 december 2006, LJN AZ4979, AZ4962 en AZ5061, Rb. Haarlem 24 mei 2007, LJN BA7516.
CRvB 15 augustus 2012 USZ 2012/250, LJN BX4618.
9,7 maandsalarissen, afgerond op tien, CRvB 2 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1905. In 2012 oordeelde de CRvB (in afwijking van het kennelijke UWV-beleid van één, drie of zes maanden schadevergoeding afhankelijk van administratieve, administratief-inhoudelijke of alleen inhoudelijke tekortkomingen) dat een vergoeding van de gemiddelde duur van de loonsanctie van 9,7 maanden in vergelijkbare gevallen redelijk was, CRvB 15 augustus 2012 ECLI:NL:CRVB:2012: BX4618.
De CRvB laat wel open dat als de werknemer had kunnen bewijzen dat herstel langer geduurd zou hebben, het UWV tot een hogere schadevergoeding gehouden zou kunnen zijn, CRvB 2 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1905, r.o.4.2.
CRvB 16 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1268.
Hof Leeuwarden 28 augustus 2012, JAR 2012/259.
Hof Den Bosch 4 maart 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:588.
Ktr. Hoorn 22 april 2013, JAR 2013/152.
Ktr. Utrecht 22 maart 2013, JAR 2013/115.
De loonsanctie is een bestuursrechtelijke maatregel gesteld op niet-naleving van bestuursrechtelijke verplichtingen, maar wel een die ingrijpt in civielrechtelijke verhoudingen.1 Letterlijk wordt in de omschrijving van de loonsanctie in artikel 25 lid 9 WIA een recht aan de werknemer toegekend, hoewel het in de kern om een loonbetalingsverplichting voor de werkgever gaat. Door de loonsanctie wordt namelijk geïntervenieerd in een civielrechtelijke verhouding, waarbij de ene contractspartner (de werknemer) profiteert van de maatregel die van buitenaf op de ander wordt opgelegd, met de kanttekening dat de werknemer ook wordt opgezadeld met de executie van de maatregel.2 Het opleggen van de loonsanctie door het UWV is een besluit in de zin van de Awb, waartegen bezwaar en beroep openstaat. Maakt de werkgever geen gebruik van die rechtsgang, dan moet de burgerlijke rechter in een geschil tussen werkgever en werknemer uitgaan van de geldigheid van het besluit van het UWV, hoewel het dus een besluit betreft in de verhouding tussen werkgever en UWV.3 Ondanks het uitblijven van bezwaar kan de rechter wel enige invloed toekennen aan re-integratiefouten van werkgever of werknemer, bijvoorbeeld bij het bepalen van de hoogte van de wettelijke verhoging bij een loonvordering.4 De verhouding van de bestuursrechtelijke maatregel met het civiele recht komt bij verschillende onderwerpen naar boven.
Loonsanctie is niet altijd recht op loon
Allereerst zegt het opleggen van een bestuursrechtelijke loonsanctie niet per se iets over het daadwerkelijk recht hebben op loon. De CRvB heeft in een belangrijke uitspraak de verhouding tussen de verlenging van de loondoorbetalingsverplichting en de civielrechtelijke aanspraak op loon besproken. In die zaak kreeg de werkgever een loonsanctie omdat zijn werknemer de WIA-aanvraag te laat indiende.5 De werkgever verweerde zich door te stellen dat hij niet verantwoordelijk was voor het te late handelen van zijn werknemer.
De CRvB oordeelde dat:
‘het Uwv bij het vaststellen van de verlenging van de periode van loondoorbetaling vanwege de te late indiening van de WIA-aanvraag, op zich niet de plicht van appellante tot doorbetaling van het loon van haar werknemer in civielrechtelijke zin vaststelt, maar slechts het tijdvak verlengt waarin de regels met betrekking tot de loonbetaling tijdens ziekte op grond van artikel 629 van Boek 7 van het BW tussen werkgever en werknemer gelden.’6
Concreet betekent dit, dat de loonsanctie terecht is opgelegd, waardoor het recht op loon moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 7:629 BW. In dat geval zou er geen recht op loon bestaan vanwege artikel 7:629 lid 3 sub f BW. De loonsanctie betekent dus een verlenging van de periode waarin artikel 7:629 BW van toepassing is inclusief de daarin genoemde situaties waarin géén recht op loon bestaat.7 Andersom hoeft het niet zo te zijn dat een werkgever, die van de civiele rechter gelijk krijgt in het opleggen van een loonstop omdat de werknemer te weinig deed aan re-integratie, dus ook bestuursrechtelijk voldoende heeft gedaan. Hof Den Bosch gaf een werkgever gelijk in een loonvorderingszaak rond de niet-meewerkende werknemer, maar de CRvB vond desondanks dat de werkgever was tekortgeschoten in het plegen van re-integratie-inspanningen. De loonsanctie bleef overeind.8
Hoeveel loon moet worden betaald?
In veel gevallen bepaalt de arbeidsovereenkomst of de cao, dat de werknemer in de eerste twee jaar van arbeidsongeschiktheid een aanvulling op de loondoorbetaling krijgt bovenop de wettelijk verplichte 70% van artikel 7:629 lid 1 BW. De vraag is dan of die aanvulling ook moet worden betaald gedurende de verlengde loondoorbetalingsperiode. Disselkoen meent van wel: de sanctie moet niet leiden tot een -relatieve- lastenverlichting.9 Ook Boot meent dat volledige doorbetaling strookt met de bedoeling van de Wet verbetering poortwachter.10 Vas Nunes en Funke menen dat de werknemer alleen aanspraak kan maken op meer dan 70% van het (maximum)dagloon als hij zijn vordering kan baseren op artikel 7:628 BW of als er recht bestaat op aanvulling op grond van een WAO-hiaat- en/of WAO-excedentverzekering.11 Frikkee meent dat het uitgangspunt 70% moet zijn, maar op basis van goed werkgeverschap niet als de werknemer door de loonsanctie in een slechtere situatie terecht komt dan waarin hij zou hebben verkeerd zonder sanctie.12 Kehrer- Bot noemt omstandigheden waaronder het denkbaar is dat een werknemer in het derde ziektejaar wel aanspraak zou moeten hebben op meer dan 70%.13 Te denken is bijvoorbeeld aan de situatiewaarin de werknemer bij een goede re-integratie passend werk had kunnen verrichten met een hogere loonwaarde. Ook noemt zij (net als Vas Nunes en Funke) de situatie dat de werknemer bij een WIA-toekenning aanspraak zou hebben gehad op uitkering van een WIA-excedentverzekering die door de loonsanctie vooralsnog niet tot uitkering komt. Vegter ten slotte concludeert tot doorbetaling van 70%, waarbij de bodem van het minimumloon net als in het tweede ziektejaar niet geldt én de werknemer -met 70% van het loon- ook meer kan krijgen dan de wettelijke maximumaanspraak van 70% van het maximum dagloon.14
In civielrechtelijke rechtspraak wordt aangenomen dat slechts een plicht tot doorbetaling van 70% bestaat.15 Uit uitspraken van de CRvB over de vergoeding die het UWV moet betalen bij onrechtmatige besluiten in verband met de loonsanctie, is af te leiden dat de werknemer niet op méér recht heeft dan 70% van het naar tijdsruimte vastgestelde loon,16 met een maximum van 70% van het maximum dagloon.17 Vakantiedagen die de werknemer opbouwt tijdens arbeidsongeschiktheid moeten bij einde dienstverband worden uitbetaald tegen 100%.601 Dat zal ook gelden over dagen die zijn opgebouwd in het derde ziektejaar.
Loonperikelen bij onterecht wel of geen loonsanctie
Als de werkgever in bezwaar of beroep de loonsanctie ongedaan gemaakt krijgt, dan is aan de werknemer onverschuldigd loon betaald. In beginsel kan de werkgever dat onterecht betaald loon terugvorderen van de werknemer.18 Terugvorderen kan echter in strijd zijn met goed werkgeverschap, bijvoorbeeld omdat het loon noodzakelijk was voor de dekking van kosten van levensonderhoud.19 Als de werknemer alsnog een WIA-uitkering krijgt, is verrekening, na machtiging door de werknemer, een tweede mogelijkheid. De betaling van de WIA-uitkering loopt daarbij via de werkgever.20 Een andere optie zou zijn om op grond van artikel 8:73 Awb in de beroepsprocedure vergoeding van de schade door het UWV te verzoeken, bestaande uit de extra loonkosten die de werkgever heeft moeten maken vanwege de verkeerde UWV-beslissing. Voor de kans van slagen is bepalend dat de werkgever niet op een andere (civielrechtelijke) grond gehouden was het loon over de betreffende periode door te betalen.21 Door de herroeping in bezwaar of vernietiging in beroep staat de onrechtmatigheid van het UWV-besluit vast.
Vaste rechtspraak is geworden dat het UWV bij een terecht verzoek om schadevergoeding het doorbetaalde loon, de vakantietoeslag over dit loon, de werkgeverslasten (inclusief pensioenpremie) en de wettelijke rente moet vergoeden.22 De CRvB beperkt vergoeding van het doorbetaalde loon in beginsel wel tot 70%, omdat de werkgever bij een loonsanctie wettelijk niet tot meer verplicht is.23 De maximering van de terugbetaling tot 70% van het doorbetaalde loon houdt in dat een verplichte aanvulling tot meer, bijvoorbeeld op basis van een cao-bepaling, voor rekening blijft van de werkgever, ondanks het onrechtmatig handelen van het UWV. Als ook andere schade is geleden dan zal de werkgever het causaal verband met de verkeerde beslissing moeten aantonen en zijn schade moeten beperken conform het burgerlijke schadevergoedingsrecht.24 Onder schadebeperking kan ook vallen het zetten van stappen richting de werknemer om onverschuldigd betaald loon terug te vorderen.25
De CRvB maakte duidelijk dat ook de werknemer schadevergoeding kan vorderen van het UWV, als het niet opleggen van een loonsanctie aan het UWV is toe te rekenen:
‘…Dat betekent echter niet dat de werknemer met lege handen staat. De werknemer kan een verzoek om schadevergoeding indienen bij het UWV. UWV heeft in eerste instantie aanleiding gezien een loonsanctie op te leggen. De enige reden om die beslissing terug te draaien is het feit dat het UWV te laat, namelijk na einde wachttijd, heeft beslist…schade ontstaan als gevolg van het te laat beslissen, (dient) in beginsel voor rekening van UWV…te komen. Gelet hierop kan betrokkene, zo deze aantoonbare schade heeft geleden, zich tot appellant wenden met een verzoek om vergoeding daarvan.’26
Voor de berekening van de hoogte van die schadevergoeding wordt rekening gehouden met de tijd die de werkgever nodig zou hebben om het gebrek te herstellen, er van uitgaande dat hij dit herstel zo snel mogelijk zou hebben gemeld én het UWV de loonsanctie dan zou hebben bekort.27 Die termijn is wel lastig in te schatten want elke situatie kent zijn eigen omstandigheden. De CRvB heeft daarom niet onredelijk gevonden dat aan een werknemer een schadevergoeding van tien maandsalarissen werd vergoed, zijnde de door het UWV berekende gemiddelde duur van alle in Nederland opgelegde loonsancties.28 De werknemer betoogde dat in zijn geval van de werkgever helemaal niets te verwachten was geweest, maar dat leidde niet tot de gevorderde schadevergoeding van 12 maanden loon.29 Andere schadeposten als verlies van re-integratieondersteuning of zelfs verlies van ontslagbescherming worden niet vergoed door het UWV. De werknemer is voor die schadeposten aangewezen op een kennelijk onredelijk ontslagprocedure als de werkgever de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd.
Voor het vragen van schadevergoeding is wel schade nodig. Een werkneemster kreeg door het uitblijven van een loonsanctie een WGA-uitkering die netto gunstiger uitpakte dan de 70% die zij onder een loonsanctie van de werkgeefster gehad zou kunnen hebben. In een dergelijk geval (net als het geval dat de werknemer geen WGA-uitkering maar als 35-minner een WW-uitkering zou krijgen) is er geen sprake van inkomensverlies, dus geen schade. Het UWV is evenmin gehouden tot vergoeding van de mogelijke toekomstige schade vanwege het eerder intreden van de WGAuitkering dan bij een loonsanctie het geval zou zijn geweest.30
Loonsanctie en overgang van onderneming
Een overgang van onderneming betekent dat een opgelegde loonsanctie mee overgaat naar de verkrijger.31 Hof Den Bosch boog zich over de situatie dat bij een overgang van onderneming werd afgesproken dat de arbeidsongeschikte werknemer bij de vervreemder in dienst zou blijven en pas naar de verkrijger over zou gaan als hij arbeidsgeschikt was. De overgang werd daarop geëffectueerd zonder de arbeidsongeschikte werknemer, voor wie een half jaar later vanwege gebrekkige re-integratie-inspanningen van de vervreemder een loonsanctie werd opgelegd. De vraag was wie het loon moest betalen. Het Hof oordeelde dat op het moment van overgang van onderneming ook de arbeidsongeschikte werknemer over was gegaan ondanks de andersluidende afspraak. Daarmee rustte de plicht om aan re-integratie te werken vanaf dat moment bij de verkrijger en diende hij de gevolgen te dragen van het nietnakomen van die verplichting. Dat de loonsanctiebeschikking op naam van de vervreemder was gesteld, maakte dat niet anders.32
Loonsanctie en ontslag
Ten slotte heeft het opleggen van een loonsanctie gevolgen voor de mogelijkheden van ontslag. Om te beginnen wordt het opzegverbod bij ziekte verlengd voor de duur van de loonsanctie (artikel 7:670 lid 10 BW). De bestuursrechtelijke kant van de loonsanctie kan meteen complicaties opleveren. Dat blijkt uit bijvoorbeeld uit de volgende zaak. De loonsanctie verlengde voor een werkgever het opzegverbod. Hij had vervolgens bekorting van de loonsanctie gevraagd en gekregen, waartegen de werknemer bezwaar maakte. Voordat er een beslissing op bezwaar kwam, had de werkgever een ontslagvergunning gekregen en de arbeidsovereenkomst opgezegd. Het bezwaar werd echter gegrond verklaard, zodat de loonsanctie achteraf nog bleek te bestaan evenals het opzegverbod. De werknemer had volgens de rechter de opzegging daarom terecht vernietigd vanwege strijd met het opzegverbod. Hij had met terugwerkende kracht recht op loon.33
In ontbindingsprocedures zal een zekere reflexwerking van het verlengde opzegverbod vanwege de loonsanctie voorkomen. De vergewisplicht in ontbindingsprocedures leidt er toe dat de kantonrechter niet aan de loonsanctie voorbij mag gaan. De ontbinding moet worden geweigerd als de grond voor ontbinding verband houdt met de loonsanctie. Het verstrijken van de loonsanctie betekent ten slotte niet automatisch dat daarmee ontslag mogelijk wordt. De rechter blijft toetsen aan mogelijkheden van werkhervatting.34