RvdW 2026/368:Beklag, beslag ex art. 94 Sv op € 19,5 miljoen van 3 buitenlandse handelsbanken op Schiphol t.z.v. verdenking van witwassen, terwijl centrale bank ‘shipper’ is van dat geld van Suriname naar China. Centrale bank en handelsbanken hebben gezamenlijk klaagschrift ingediend, waarna hof beklag ongegrond heeft verklaard en verweer dat inbeslagneming strijdig is met immuniteit die centrale bank o.g.v. internationaal gewoonterecht geniet, heeft verworpen. 1. Beroep op (staats)immuniteit van centrale bank. Kon hof oordelen dat centrale bank geen immuniteit geniet omdat niet is komen vast te staan dat inbeslaggenomen geld ‘property’ van centrale bank is, dat bestemd is of wordt aangewend voor taakuitoefening van centrale bank i.v.m. monetaire politiek en valutabeleid? 2. Toepasselijke maatstaf, summier karakter onderzoek in raadkamer. Heeft hof verzuimd minder restrictief criterium aan te leggen dan vraag of het hoogst onwaarschijnlijk is dat strafrechter (later oordelend) zal overgaan tot verbeurdverklaring van beslagene? 3. Beroep op onrechtmatigheid van beslag op de grond dat t.a.v. klaagsters geen redelijk vermoeden van schuld aan witwassen van inbeslaggenomen € 19,5 miljoen bestond. Heeft hof verzuimd te beslissen op standpunt van klaagsters inhoudende dat beslag onrechtmatig is gelegd en/of gehandhaafd? 4. Proportionaliteit en subsidiariteit van voortzetting van beslag. Kon hof — in het licht van aangevoerde over persoonlijke belangen van klaagster bij opheffing van beslag (door klaagsters is voldoende zekerheid aan OM geboden) — oordelen dat belang van strafvordering de voortduring van beslag vergt? 5. Heeft hof verzuimd te beslissen op standpunt van klaagsters dat beslag op deel van beslagene onrechtmatig is gelegd, omdat verdenking van witwassen niet alle inbeslaggenomen gelden betreft? HR: art. 81 lid 1 RO. Vervolg op HR 27 juni 2023, NJ 2023/266, m.nt. P.A.M. Mevis en HR 6 juli 2021, NJ 2022/121, m.nt. Th.M. de Boer.